verslag Didi van Dijk
Inleiding
Tijdens de conferentie Een comfortabele waarheid, over eerlijk economisch meten, werd er in deze workshop gediscussieerd over de rol van landbouw.
In het programma viel te lezen dat “de agrarische sector een cruciale rol vervult in de discussie over economische groei. Het bestaan van mensen is allereerst afhankelijk van wat landbouw, veeteelt en visserij voortbrengen. De sector legt een belangrijk beslag op de ecologische mogelijkheden van natuur en milieu, en wordt ook het eerst geconfronteerd met de beperkingen daarvan. Bovendien is zij zeker in ontwikkelingslanden van grote betekenis voor werk, inkomen en zelfvoorziening van omvangrijke groepen van mensen.”
Crisis in de landbouwsector
Er was grote overeenstemming over het feit dat er een crisis gaande is in de landbouwsector. Volgens Jan Douwe van der Ploeg is er onvoldoende erkenning van deze crisis in het westen. De inleiders waren het er ook over eens dat de crisis voortkomt uit een dominant marktdenken, waarin te weinig ruimte is voor sociale/ culturele en ecologische waarden. Zo komen lokale hulpbronnen allemaal in dienst te staan van wereldwijde voedsel imperia, waardoor lokale situaties worden verstoord en kleine boeren worden weggedrukt. De markt wordt bepaald door de aankopers van landbouwproducten (winkelketens), in plaats van de producenten en consumenten.
Oplossing voor de landbouwcrisis
Beide inleiders verschilden in hun opvatting over de juiste oplossing voor de crisis. Jan Douwe van der Ploeg stelt dat 1) Landbouw beoefening weer gebaseerd moet worden op zowel ecologisch, sociaal, cultureel, als economisch kapitaal en deze moet ingebed zijn in de bredere samenleving; 2) Landbouw beleid minder georiënteerd moet zijn op agri-business en financieel kapitaal en zich meer moet richten op sociaal en cultureel kapitaal; 3) Parameters om landbouwstelsels te beoordelen moeten evenwicht en gelijkheid centraal stellen, in plaats van economie. Chris Claes meent dat een waardeverschuiving de crisis kan redden. Deze waardeverschuiving kan bewerkstelligd worden door ketenverbetering die vraaggestuurd wordt. Belangrijk in deze waardeverschuiving zijn 1) Niches en pioniers die laten zien dat het anders kan; en 2) De grotere omslag door bedrijven die niet voorop lopen, maar wel een groot publiek weten te bereiken.
In de discussie werden andere oplossingen geopperd voor de landbouw crisis. Ten eerste werd genoemd dat landbouw wereldwijd wordt beïnvloed door de WTO, dus dat daar verandering zou moeten komen. Totale liberalisering kan niet in de landbouw. Daarnaast zou lokale productie via een systeem van heffingen beschermd kunnen worden, ook in ontwikkelingslanden. Subsidies zouden beter moeten worden afgestemd op het productiesysteem van de boer. Sociale voorzieningen zouden behouden moeten worden, want het inkomen is de basis voor het bestaan en zonder inkomen kan er geen milieubeleid gevoerd worden. Verder kan de overheid illegale activiteiten aan de kaak stellen op grond van ethische bezwaren en bedrijven laten betalen voor de schade die ze veroorzaken. Allianties van boeren en consumenten in ontwikkelingslanden en andere actoren in de samenleving, zijn van groot belang. Er moeten aanknopingspunten gezocht worden voor duurzaam beleid binnen de voedsel imperia door middel van keten verantwoordelijkheid / MVO / tegenmacht van coöperaties vanuit landbouw tegenover particuliere ondernemingen. Als alternatief voor de marktgestuurde productie werd het syndicalistische bedrijfstype genoemd.
Er was onenigheid over de rol van de consument. Aan de ene kant werd gesteld dat de consument leidend is, terwijl er door anderen gesteld werd dat de consument uiteindelijk alleen voor de eigen portemonnaie kiest. Het werd belangrijk geacht dat de consument in ieder geval goed geïnformeerd wordt zij het via de media of door middel van labels.
Ten slotte werd genoemd dat landbouw van oudsher een heel duurzame sector is, omdat het grondgebonden is en het denkt in generaties. Bovendien lijkt de industriële landbouw in een crisis te verkeren en lijkt de boerenlandbouw de toekomst.
Gedetailleerd verslag
De workshop werd voorgezeten door voormalig minister van Landbouw, Cees Veerman.
De centrale stellingen voor deze workshop waren dezelfde als die voor de gehele conferentie:
1) Mens- en natuurwaarden gaan uit boven geldelijke belangen. Daarom moeten duurzame en solidaire welvaartsindicatoren leidend zijn bij het nemen van economische beslissingen.
2) Het huidige begrip en beleid van economische groei moet op de helling:
verschuiving van materiële naar immateriële welvaartsvergroting
verschuiving van meer naar minder belasting voor mens en natuur
primaat van herverdeling boven verrijking
3) De urgentie van de hedendaagse sociale en ecologische problemen vereist drastische veranderingen van de economie, op basis van een sociaal contract.
De volgende specifieke stellingen/ vragen golden voor de landbouw workshop:
Het huidige landbouwsysteem is niet gericht op wereldwijde voedselzekerheid. Er wordt genoeg geproduceerd voor iedereen, maar niet iedereen kan het kopen.
Een drastische aanpak van de grootschalige problemen van sociale en ecologische aard kan niet zonder de erkenning van de strategische betekenis van deze sector.
Kan de landbouwsector een voorhoedepositie ontwikkelen in de strijd voor duurzaamheid, en zo ja, hoe?
Inleiding Jan Douwe van der Ploeg
Download
Als basis voor de discussie dienden twee presentaties. De eerste presentatie werd verzorgd door Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar aan Wageningen Universiteit, met de titel Een comfortabele waarheid – Groei naar een duurzame en solidaire economie. Invalshoek van deze inleiding was dat landbouw altijd in wisselwerking is met de bredere samenleving, de natuur en de mensen die in de landbouw sector werken. Oorspronkelijk ontstonden agrarische crises met name als de landbouw populatie in ongerede raakte. De huidige landbouw crisis is echter een crisis van duurzaamheid en de gehele maatschappij, en is wereldwijd. Deze crisis is complex en heeft vele wisselwerkingen. In het westen heerst er onvoldoende erkenning van de crisis.
Van der Ploeg gaf twee voorbeelden ter illustratie van de landbouwcrisis:
1) Wereldwijde honger, waarvan een halvering is afgesproken binnen de Millennium Development Goals. Het aantal hongerlijdende mensen is afgenomen met 3 miljoen, maar in de toekomst zal honger mogelijkerwijs toenemen.
2) Wereldwijd zijn er 1 miljard peasants, direct betrokkenen bij landbouw productie, welke voor hun aspiraties afhankelijk zijn van landbouw. Maar voor mondiale landbouw is de toekomst geblokkeerd. In Brazilië is een nieuwe terugkeer naar het platteland waarneembaar, onder andere vanwege een ontvluchting van menselijk afval in de stad. De landbouw sector biedt echter onvoldoende mogelijkheden om een inkomen te verdienen. Dit is niet alleen het geval in ontwikkelingslanden. Ook in het westen heerst een immens gevoel van ontevredenheid (de Franse boer Jose Bové brengt dit al sinds enige tijd onder de aandacht).
Van der Ploeg legt uit dat er voedsel imperia ontstaan. Deze worden gekenmerkt door monopoliënde netwerken, waar omheen het steeds moeilijker is om te opereren. Voedsel imperia zijn wereldwijde netwerken die voedsel ombouwen van een natuurlijk product tot een artificieel product.
Voorheen waren lokale hulpbronnen verspreid. Nu weten imperiale netwerken zich deze hulpbronnen toe te eigenen waardoor ze alleen benut kunnen worden vanuit voedsel imperia en niet meer door de lokale bevolking. De hulpbronnen voegen niets meer toe aan de lokale samenleving. Imperia produceren niet alleen maar voedsel om de wereldbevolking te voeden, maar op de Empire te voeden. Het klassieke patroon van veelheid aan koppelingen in de lokale situatie wordt doorbroken door schaalvergroting (bijvoorbeeld in de zorgsector) en tendering in Europa. Dit blijkt onder andere uit onderzoek in Noord Limburg. Wat volgt is een eenduidig aanbod van nieuwe bedrijven die hun producten elders halen, waardoor de lokale economie toenemend overbodig wordt. Dit is een identiek uitsluitingsmechanisme in vergelijking met het voorbeeld in Peru.
Jan Douwe van der Ploeg noemt drie uitwegen:
1) Landbouw beoefening moet weer gebaseerd worden op ecologisch kapitaal, sociaal kapitaal en cultureel kapitaal, naast economisch kapitaal en ingebed zijn in de bredere samenleving;
2) Landbouw beleid moet minder georiënteerd zijn op agri-business en financieel kapitaal en zich meer richten op sociaal en cultureel kapitaal;
3) Voor parameters om landbouwstelsels te beoordelen moeten evenwicht en gelijkheid centraal staan en doorslaggevende zijn. Nu te veel op economische grondslagen gebaseerd.
Inleiding Chris Claes
Download
De tweede presentatie “Naar een waardenverschuiving binnen de dominante logica van voedselketens”, werd gegeven door Chris Claes van de ngo Vredeseilanden. Chris Claes sloot zich aan bij van der Ploeg’s verhaal, maar legde de nadruk op waardeverschuiving.
Claes begint met een stand van zaken: Bevolkingsgroei naar 9,2 miljard waarvan 850 miljoen leven van minder dan 1 dollar, 40% van de bevolking afhankelijk van landbouw, armoede vooral op het platteland, moerasgronden zijn gehalveerd in 40 jaar tijd, bos is gehalveerd, 70 % visbestanden overbevist, 2/3de van de landbouwgronden lijden onder bodemdegradatie en de mondiale economie is verdrievoudigd sinds 1980.
De dominantie marktlogica gaat er vanuit dat hebzucht en verwervingsdrang leiden tot efficiëntie en sociaal optimale resultaten. WTO, IMF, WB en onze regeringen worden door deze veronderstelling geleid en ook de landbouw sector gestoeld.
Deze veronderstellingen leiden echter tot problemen (zie stand van zaken). De huidige dominante logica van voedselketens is er één van trage constante groei van vraag, meer en teveel productie, verwerkers kopen grondstoffen, integreren en consolideren deze, lage prijzen aan consument, steeds meer megabedrijven voor productie. De prijs van voedsel in winkels daalt, kleinere bedrijven worden weggeconcurreerd. De stedelijke bevolking groeit en de vaag ook.
In het Noorden heerst een overvloed aan voedsel, terwijl er in het Zuiden een tekort is. Dit leidt tot concurrentie tussen mensen die voedsel verkopen, voor steeds lagere prijzen. Uiteindelijk komen er vrij weinig verse producten op de markt: van de 3,000 variëteiten van appels komen slechts enkele in de schappen. Het zijn voornamelijk verwerkte producten op basis van grondstoffen als suiker en soja die in de schappen komen te liggen.
De machtspositie in de marktketen in Europa ligt bij supermarkten, aankopers en verwerkers. Alle producten worden gekocht door slechts 110 aankopers, wat Claes de flessenhals van Europa noemt. Supermarkt keten Tesco houdt veilingen voor toeleveranciers, waarop de laagste bieder aan de supermarkt mag verkopen. De laatste tien jaar is de druk op de marktketen duidelijk verschoven van de verwerkers en halfverwerkers naar de aankopers. Voedselketens werden voorheen gestuurd door aanbod gestuurde productie (gemeenschappelijk landbouw beleid) gesubsidieerd door de overheid. Nu wordt de voedselketen gestuurd door de privé-sector, namelijk de multinationale ketens die zaad, inputs en de warenhuizen in handen hebben. In Costa Rica kwam in 10 jaar tijd 90% van de voedselketen in handen van Walmart. In Zuid Amerika wordt nu al 60% van de voeding verkocht in grootwarenhuizen, waardoor de grootste macht in handen komt van Walmart. Landbouw wordt steeds meer gedreven door de markt en private spelers en daarnaast de consument.
Volgens Claes kunnen we de landbouw redden door een waardeverschuiving: weg van het marktdenken en toe naar integratie van sociale en ecologische waarden . De grote vraag is hoe we dit kunnen bereiken. Moet dit vanuit de overheid aangestuurd worden, vanuit de civiele maatschappij komen, consumenten, private actoren of de landbouwsector?
Er zijn verschillende scenario’s denkbaar waarin men bijvoorbeeld economische/ sociale waarden kan afzetten tegen ecologische waarden. Als de markt logica dominant blijft kan er geen consensus bereikt worden over hoe er naar een waardeverschuiving toegewerkt kan worden. Lobbygroepen hebben niets meer te vertellen ten opzichte van bedrijven. NGOs, overheden en consumenten kunnen dat voor ons oplossen. De waardeverschuiving kan bewerkstelligd worden door ketenverbetering die vraaggestuurd wordt.
De oplossing:
1) Niches en pioniers: zij geven aan hoe het zou moeten zijn en bewijzen dat het kan, bijv. Fair Trade-, Bio-, en Streekproducten.
2) De grotere omslag: kan gemaakt worden door labels die worden doorgevoerd in supermarktketens zoals Kikkertje van Rainforest Alliance / bananen / thee, die verleggen door hun marktpositie de standaarden naar een hoger niveau, ondanks dat ze minder goed zijn dan die van de niches en pioniers. Het zijn de groten die een grote verbetering teweeg weten te brengen.
Volgens enkele deelnemers aan de discussie was het te laat om te pionieren en is het de hoogste tijd voor drastische veranderingen.
Discussie
Genodigde discussianten waren: Guus Geurts (Platform Aarde Boer Consument & Vóór de Verandering), Jean-Pierre De Leener (Vlaams Agrarisch Centrum), Riky Schut (Werkgroep Landbouw en Inkomen), Luc Vankrunkelsven (Wervel), Theo Koekkoek (voorz. Vakgroep Akkerbouw, ZLTO), David Renkema (Oikos), en Joost Visser (onderzoeker).
Allereerst stelden de discussianten zichzelf voor en deponeerden hun standpunten.
Guus Geurts stemde in met het volgens hem verontrustende verhaal van de inleiders. Hij stemde echter niet in met de tweede spreker toen hij zei dat er meer voedsel is dan vroeger. Tot de jaren ’70 / ’80 hadden we een goed landbouw systeem wat aan de kant is geschoven door multinationals en liberalisering. Er moet meer rendement gehaald worden op investeringen en dit gaat ten koste van de boer. De oplossing is het reguleren van de markt op Europees of WTO niveau. De WTO miste in de inleidingen terwijl het momenteel de enige wereldregering is. De mondiale voetafdruk moet hersteld worden door zelfvoorzienendheid van voedsel, energie etc. Nu importeren we meer dan we exporteren. Het beleid moet zo hervormd worden dat landen zich weer mogen beschermen en boeren weer een goede prijs krijgen voor hun producten. Lokale productie kan via een systeem van heffingen beschermd worden, ook in ontwikkelingslanden. Er worden nu subsidies uitgegeven om de landbouwsector uit te bouwen. Dit moet ingezet worden voor duurzame voedsel en energie productie.
Theo Koekkoek benadrukte dat hij in de markt blijft geloven, hoewel hij geen conservatief verhaal wil houden. Volgens Koekkoek is de consument leidend, maar de vraag is of de consument voor lokale producten kiest zonder regulering? Volgens hem moeten we met elkaar verstandige keuzes maken in wat we kopen als voedsel, dan kan de vrije markt er zijn. Desondanks moet overheidsingrijpen blijven, want totale liberalisering kan niet in de landbouw. Landbouw is van oudsher een heel duurzame sector, omdat het grondgebonden is en het denkt in generaties. Duurzaamheid past in landbouw.
Riky Schut richt zich voornamelijk op Nederland. Ze sluit zich aan bij de inleiders en is het ermee eens dat er in een duurzame en solidaire economie een balans moet zijn tussen ecologie, economie en culturele waarden, maar er moet vooral een inkomen zijn. Als er geen inkomen is kun je niet aan milieuvoorwaarden doen en dus de natuur niet onderhouden. Voedsel imperia zijn ook in Nederland aan het ontstaan, bijvoorbeeld in de kippen, varkens en mestverwerkende industrie. De boeren in de glastuinbouw vinden dat ze de metropolen op de wereld voeden. We moeten niet vergeten dat Nederland het 2e export land is, ondanks het feit dat Nederland een klein land is. We zitten vol en moet zuinig zijn met de ruimte die we nog hebben.
Grote zorg waar Claes ook aan refereerde, is dat de gezinsbedrijven worden opgeslokt. Dat is heel jammer voor platteland, duurzaam bestaan, en productie. Een grote zorg die niet naar voren kwam in de inleidingen, is die van buitenlandse werknemers. Polen werken hier graag, verdienen hier graag, maar hun gezinnen worden sociaal uiteen getrokken. We moeten veel meer kijken naar voedsel soevereiniteit in de landen zelf. Hoewel er zoveel deviezen verdiend worden op landbouw producten komt dit niet terug bij de boeren. Tegelijkertijd wordt er geknabbeld aan sociale voorzieningen zoals de WAZ, wat onbetaalbaar is.
Joost Visser stelt dat de situatie onduurzaam is tot het onhoudbaar toe (energie, erosie etc). Deze situatie is niet aan te bevelen. Iets dat bodem degradatie bevordert moet per direct worden gestopt. Er is iets geïnstitutionaliseerd waar grote jongens gebruik van kunnen maken, maar er zit niets onder. De nitraatrichtlijnen zijn niet te halen, maar toch was het idee dat het te beheersen was. Er is een foute insteek in de landbouw. Landbouw kan niet industrieel ingericht worden omdat primaire productie tijd en plaats gebonden is. Wanneer de illegale activiteiten in de landbouw sector worden herkend en erkend, kan er tegen op worden getreden door de overheid op basis van gefundeerde argumenten. De ‘grote jongens’ zijn vaak niet alleen sociaal, maar ook ecologisch destructief. De voedsel imperia lijken een groot machtsblok te vormen, maar er zit geen ethische fundering onder. Daar moet de overheid instappen.
Jean-Pierre de Leener is ook mondiaal actief, onder andere met Via Campesina. Het VAC is vooral gericht tegen de vrije markt. Nergens willen boeren de vrije markt, daar waar ze samen werken. Realiteit is dat het er al is. De vraag is hoe dat veranderd kan worden en met welke allianties. Om dit te onderzoeken wordt in Vlaanderen de Ronde van Vlaanderen georganiseerd door een Syndicalistische organisatie. Het probleem is dat medestanders verdwijnen, omdat kleine boeren bedrijven verdwijnen en de groten overblijven. De vrije markt vindt plaats en het aantal boeren daalt elke dag. De laatste kleine bedrijven verkopen ook aan de groothandel en vertrouwen erop dat ze het daarmee kunnen redden. Ze kiezen ervoor grondstoffen te produceren voor de verwerkende industrie en hopen dat de prijzen en de vraag goed blijven. Een alternatief is het syndicalistische bedrijfstype: een biologisch, gediversifieerd bedrijf dat kleinschalig verhandelt in een coöperatie. Men kan een aandeel nemen in de coöperatie en meebeslissen over het bedrijf. De Leener is niet tevreden met de huidige situatie, maar zegt dat er toch een inkomen gehaald moet worden. Dit moet samen gedaan worden met lokale en mondiale boerenbewegingen. Consumenten kunnen ook iets anders wensen van de landbouw. Bij de Ronde van Vlaanderen merkt men dat de boeren een te kleine speler zijn. Het grote politieke verhaal kan door boeren alleen niet gerealiseerd worden. Vandaar het grote belang van allianties met boeren uit ontwikkelingslanden en consumenten.
Luc Vankrunkelsven werkt in Brazilië en schrijft een boek. Er is geen eko landbouw mogelijk als zij niet sociaal rechtvaardig is. Volgens Vankrunkelsven zijn er drie punten:
1) voedsel imperia
2) bevolkingslandbouw
3) waarden discourse
Er vindt een ‘her-boering’ plaats, terwijl er 14 jaar geleden gedacht werd dat de boerenlandbouw ten onder ging. Nu moeten we het anders bekijken: de industriële landbouw is in crisis en de boerenlandbouw is de toekomst. We moeten daarbij niet bang zijn om de dingen bij zijn naam te noemen en een waarde oordeel te durven vellen.
David Renkema stelt het wereldvoedselvraagstuk centraal. Al tien jaar zijn er 800 miljoen mensen die honger hebben en ondervoed zijn. Het is enerzijds goed te noemen dat het nog steeds op de agenda staat en dat het aantal niet groter is geworden, maar het duidt op een verstoring van de voedselmarkt. In de inleidingen wordt al het kwaad toegeschreven aan de voedsel imperia en deze worden tegenover sociaal kapitaal en kleine boeren geplaatst. Maar willen we vooruit komen, dan moeten we op zoek gaan naar de aanknopingspunten binnen die imperia. Dit kan door middel van keten verantwoordelijkheid / MVO / tegenmacht van coöperaties vanuit landbouw tegenover particuliere ondernemingen. Een voorbeeld van ketenverantwoordelijkheid is de koffiesector. Douwe Egberts werd tegengewerkt door Max Havelaar, omdat het hun marktpositie benadeelde.
Organisaties moeten een duidelijkere strategie hebben en geen holle frasen verkopen. Daarnaast zitten er ook grote spanningen binnen de eigen beweging. Ecologische waarden moeten bijvoorbeeld soms opgeschort worden omdat het op een moment om honger gaat.
De belangrijkste punten die naar voren kwamen in deze introductie volgens de voorzitter:
1) Landbouw is en blijft een regionaal georiënteerde activiteit, maar we zien een ontregionalisering.
2) Hoe bepaal je de waarde van wat wordt geproduceerd?
Markten corrigeren?
Ecologische en sociale waarden incorporeren?
3) Hoe realiseren we de aanpassing van markten?
Coöperaties?
Gedragsverandering van consumenten?
Heffingen?
Opmerkingen en vragen uit de zaal
Er werd opgemerkt dat het BNP erbij gebaat is dat de economie het bij gezinsbedrijven houdt, omdat anders het BNP zou dalen tot 0. Toegevoegde waarde ontstaat doordat de marktprijs het referentie punt is. Guus Geurts antwoordt hierop dat we in basisbehoeften zouden moeten meten. Het Westen heeft het altijd over ontwikkelen en de Wereld Bank is dominant. Woorden als ontwikkeling en armoede zijn echter misleidend, wat duidelijk wordt aan de hand van een land als Bhutaan.
De voorzitter chargeert vervolgens dat we het ons allemaal maar laten gebeuren. Daar brengt Kees Koekkoek tegenin dat consumenten niet voldoende zijn geïnformeerd. Dit zou onder andere komen door de macht van de media. Als je geld hebt kun je commercials betalen. Vervolgens merkt iemand op dat hem het probleem niet zit in informatie voorziening, maar dat mensen in de supermarkt niet kiezen voor duurzaamheid. De consument kiest voor het goedkoopste product. Dit levert vervolgens weer bedrijven van 150 ha op die niet voor de regio produceren, maar voor de wereldmarkt. Van de consument moet je niet hebben volgens de zaal. Koekkoek stelt dat duurzaamheid en grootschaligheid elkaar niet hoeven te bijten. Hier ligt volgens hem een taak voor de overheid, die het gat moet dichten tussen burger en consument.
De voorzitter brengt in dat we informatie voorziening kunnen oplossen door middel van labelling. Als de consument niet kan zien wat er anders is aan het product, dan kan de consument immers geen weloverwogen keuze maken. Als alleen de prijs anders lijkt zal de consument sneller voor het goedkoopste product kiezen. Guus Geurts meent dat zelfs als men weet wat het verschil is tussen producten, slechts 5-10% van de consumenten voor betere producten kiest.
Eén van de oplossingen zou zijn wanneer er een systeem komt waarbij de mate van subsidie overeenkomt met de inspanning die de boer doet. De vraag is of landbouw verbindend is voor Europa nu de compartimentering is opgeheven. Subsidies verstrekken aan ecologische boeren staat of valt met vertrouwen. Hoe kunnen organisaties vertrouwenwekkend zijn in hoe ze keuzes maken? Theo Koekkoek meent dat de omschakeling naar biologische landbouw komt door pushen en pushen en vraagt zich af of het wel lukt om mensen bereid te vinden om het te kopen. Volgens Koekkoek kun je het veel mensen kleine stapjes laten zetten in plaats van een paar mensen grote stappen te laten zetten.
De loskoppeling van kosten en energie gebruik kon ontstaan door de goedkope olie jaren ’50/’60 en het door de overheid gesubsidieerde wegtransport. Nu er geen olie meer is, moet de rekening worden gepresenteerd aan de winkelketens die afhankelijk zijn van goedkoop transport en moeten subsidies worden stopgezet. Dit moet de overheid doen en kan zij rechtvaardigen vanuit, bijvoorbeeld, gezondheidsoogpunt. Dit kan alleen als we bereid zijn om mondiaal te organiseren en plannen. Kosteninternalisering is een mooi verhaal, maar het gaat slechts om een productie methode. Vb.: Vorig jaar februari werd er biologische pompoen ingevlogen voor dezelfde prijs als dat het hier geproduceerd kan worden. Men moet durven te zeggen dat het anders moet en stoppen voor de markt te produceren. Er werd voorgesteld dat elke regio terug moet naar het beleid van vroeger, toen er nog heffingen werden gerealiseerd aan de grenzen.
Er werd ook gezegd dat er productie beperking nodig is, maar dat wij heel moeilijk analyses kunnen maken. De politiek kan hiervoor worden aangesproken, maar als er niet genoeg mensen zijn die dat onderschrijven, dan gebeurt er niets. De Leener gelooft er niet in dat de kapitaalkrachtigen de lijn zullen volgen van duurzaamheid, ondanks de intenties. Hij denkt dat boeren de macht moeten houden. Het probleem is dat de waar bederfelijk zijn. Als de waar niet afgegeven wordt aan de markt, moet je er iets mee doen anders bederft het. Boeren moeten volgens De Leener hetzelfde doen als de voedselimperia, maar dan met coöperaties. Confédération Paysanne leverde bijvoorbeeld aan Franse coöperaties. Ze kregen helaas geen betere prijs. De meerwaarde terugbrengen naar het inkomen van de boeren blijft een heikel punt.
Vanuit de zaal kwam de optie om alle grondeigendom af te schaffen, in de trant van het Georgisme.
We moeten geen slachtoffer worden van onze eigen rekenmethode. Hoewel het BNP niet samen gaat met regionalisering, heeft de mini-ruil economie wel degelijk een reële waarde.
De prijs van producten moet ekologische en sociale externalities weergeven.
Voorzitter: Dan moet je de landbouwsector apart behandelen, zoals voor de WTO. Maar de sectoren kunnen dus niet gescheiden worden. Landbouw sector als aparte sector, buiten de WTO?
Een laatste punt vanuit de zaal was dat er meer aandacht moet zijn voor de astrale en etherische kwaliteiten van voedsel.

