PDSE-lid Frans Doorman geeft zijn visie op de toekomst van de landbouw, en reageert daarbij ook op het voorgaande artikel van Frans van der Steen.

De wereldbevolking zal naar verwachting tussen 2020 en 2050 groeien van bijna 7 miljard naar 9 tot 10 miljard. Hoe voorzien we de wereldbevolking in de toekomst van voldoende voedsel van goede kwaliteit? En hoe doen we dat op een duurzame manier? Moeten we voor een duurzame wereld mondiaal overstappen van industriële naar ecologische landbouw?

Mensen en organisaties die actief streven naar een duurzame wereld pleiten voor een landbouwsysteem dat zoveel mogelijk in lijn is met de natuur, zonder of met een zo gering mogelijk verbruik van chemicaliën. Laten we dat ecologische landbouw noemen. Tegelijkertijd veroordeelt men de kapitaalsintensieve landbouw, waarin met gebruik van hoog ontwikkelde technologie zo hoog mogelijke opbrengsten tegen zo laag mogelijke kosten worden nagestreefd. Dat kunnen we de industriële landbouw noemen. Die industriële landbouw, zo stelt men niet onterecht, is verantwoordelijk voor grote milieuproblemen zoals de uitstoot van broeikasgassen, de verarming van landbouwgrond, waterverspilling, en vervuiling van grond, water en lucht met schadelijke stoffen. Frans van der Steen stelt het elders op deze website nog sterker in zijn artikel ‘Onze meest urgente opdracht: verduurzaam de voedselketen!‘: de voedselketen is de belangrijkste oorzaak van de vernietiging van ons milieu. En die voedselketen, zo stelt het artikel, is synoniem voor de industriële landbouw. Uit deze redenering volgt logischerwijs dat we, voor een duurzame wereld, mondiaal moeten overstappen naar een ecologische landbouw en van die industriële landbouw af moeten.

Is die redenering correct? Laten we om die vraag te beantwoorden kijken naar wat we weten over het productiepotentieel van beide systemen, hun effecten op het milieu, en hun beslag op hulpbronnen. Daarbij kijken we ook naar keuzes van de consument, vooral wat betreft vleesconsumptie, en van keuzes van producenten en overheden wat betreft ons landgebruik. Dit alles in het kader van de vraag: hoe kunnen we de wereldbevolking duurzaam voorzien van voldoende voedsel van goede kwaliteit, en hoe kunnen we daarbij zorgen dat onze planeet leefbaar blijft? Die vragen worden des te prangender omdat naar verwachting tussen 2020 en 2050 de wereldbevolking zal groeien van bijna 7 miljard naar 9 tot 10 miljard mensen. Die monden moeten gevoed worden, terwijl ook rekening moet worden gehouden met de behoefte aan land voor andere dingen dan landbouw, zoals natuur, (cultuur)bos, bebouwing, etc.

Productiegroei
Om de wereldbevolking ook in 2050 nog adequaat te kunnen voeden is een enorme productiegroei nodig. Dat is volgens de Wageningse hoogleraar Plantsystemen Martin van Ittersum al een uitdaging zonder weerga voor de kapitaalsintensieve, hoog-technologische en hoog opbrengende landbouw. Door overschakeling op ecologische landbouw wordt die uitdaging nog groter. Opbrengsten daarvan liggen over het algemeen een stuk lager dan in de industriële landbouw. De discussie over hoeveel is nog niet uitgewoed, maar 20 tot 30% lager lijkt niet onaannemelijk.[1]

Bodemvruchtbaarheid
In grote delen van de wereld is de bodemvruchtbaarheid zo laag dat bemesting onontbeerlijk is: met kunstmest, dierlijke mest en groenbemesters. In de ecologische landbouw wordt geen kunstmest gebruikt, die moet dus vervangen worden door de twee andere vormen van bemesting. In Nederland is dat niet zo’n probleem omdat er veel dierlijke mest beschikbaar is. Daarmee is Nederland een uitzondering. Op de meeste andere plaatsen in de wereld is dierlijke mest maar beperkt beschikbaar. Daar komt bij dat toepassing van dierlijke mest vanwege de te transporteren en aan te brengen volumes kostbaar en energieintensief is. Anderzijds leveren groenbemesters vaak te weinig voedingstoffen: ze zijn vooral belangrijk voor de verbetering van de structuur van de bodem. Gebruik ervan is in arme landen vaak niet haalbaar omdat kleine boeren al hun land nodig hebben om voldoende te produceren om te kunnen overleven. Conclusie: vooralsnog – dat wil zeggen tot er andere oplossingen beschikbaar komen – is kunstmest in grote delen van de wereld onmisbaar omdat dierlijke mest en groenbemesters alleen niet kunnen voorzien in voldoende nutriënten voor de gewassen.

En het milieu? In de ecologische landbouw wordt dierlijke mest gebruikt als alternatief voor kunstmest. In vergelijking met kunstmest is dierlijke mest vaak vervuilender, door een grotere schadelijke uitstoot van stikstof en andere nutriënten die in plaats van door het gewas te worden opgenomen in het milieu komen. Bij goed gebruik van kunstmest worden stikstof en andere nutriënten op een veel efficiëntere manier bij het gewas gebracht dan dat bij dierlijke mest mogelijk is. Efficiënt betekent daarbij minder uitstoot en verlies, dus ecologische winst. Dat geldt helemaal wanneer, zoals steeds meer in de industriële landbouw, gebruik wordt gemaakt van geavanceerde technieken om per locatie de behoefte aan nutriënten te meten, ook binnen in één veld. Zo kan precies de juiste dosis worden toegediend en is nog meer milieuwinst mogelijk.

Efficiënt gebruik van hulpbronnen
Landbouw, of dat nu industriële of ecologische is, legt een groot beslag op de natuurlijke hulpbronnen van de aarde: water, energie, schaarse en minder schaarse grondstoffen, en bovenal grond. Omdat we de productie sterk moeten verhogen en tegelijk onze hulpbronnen schaars zijn of schaarser worden is het zaak die hulpbronnen zo efficiënt mogelijk te gebruiken, waar mogelijk te hergebruiken en er voor te zorgen dat er zo min mogelijk verloren gaat.

Kapitaalsintensieve, industriële landbouw legt in veel gevallen per eenheid product minder beslag op schaarse natuurlijke hulpbronnen zoals grond en water dan ecologische productie. Maar er zijn kanttekeningen. Zo wordt die efficiëntie vaak berekend op basis van directe kosten en gebruik van inputs op het producerende bedrijf zelf. De indirecte kosten, dat wil zeggen kosten gemaakt en inputs gebruikt van buiten dat bedrijf, vaak in andere landen, worden niet of maar gedeeltelijk meegerekend. Dat geldt vooral voor de zogenaamde externe kosten: kosten van schade aan het milieu en het niet duurzame gebruik van eindige grondstoffen, inclusief milieukosten veroorzaakt door het gebruik van fossiele brandstoffen voor productie en transport. Een goed voorbeeld zijn geïmporteerde sojabonen voor gebruik in veevoer. Goedkoop, maar een zwaar beslag leggend op het milieu: door vernietiging van natuurgebieden voor de teelt, energieverbruik en gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen voor die teelt, en vervoer van productieland – zoals Brazilië – naar Nederland. Er zijn studies die schattingen geven van die indirecte kosten; een samenvatting wordt gegeven in het lezenswaardige proefschrift van Meino Smit.

Gesloten systemen
De afgelopen decennia heeft de Nederlandse glastuinbouw zich sterk ontwikkeld. Aanhangers van de ecologische landbouw vinden dit soort landbouw vaak verwerpelijk omdat er op substraat in plaats van grond geteeld wordt. Dat is onnatuurlijk. De kritiek neemt toe als er gewassen worden geteeld die buiten niet verbouwd kunnen worden omdat ze hogere temperaturen nodig hebben. Vanwege dat laatste is kassenteelt een grootverbruiker van energie, die vaak op niet duurzame wijze is opgewekt. Wat overigens snel aan het veranderen is: er wordt steeds meer duurzame energie gebruikt.

Tegenstanders van kassenteelt hebben geen ongelijk met bovenstaande bezwaren. Maar kassenteelt kan, als duurzaam opgewekte energie wordt gebruikt, zeer efficiënt zijn in het gebruik van schaarse hulpbronnen. Dat geldt vooral in warme landen waar verwarming niet nodig is. Met gesloten systemen kan de milieubelasting geminimaliseerd worden door recycling van water en andere schaarse stoffen zoals (kunst)mest. De kans op het optreden van ziekten en plagen wordt veel kleiner waardoor er veel minder bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Bovendien wordt natuurlijke bestrijding met predatoren van de plagen die toch optreden vergemakkelijkt.

In de openluchtteelt zijn ziekten en plagen bijna niet te voorkomen en is bestrijding met predatoren minder effectief. Daarom zijn vaak bestrijdingsmiddelen nodig. Die hebben veel negatieve milieueffecten, vooral in de kapitaalsintensieve landbouw. Maar ook in de ecologische: natuurlijk betekent niet altijd niet giftig. Daarnaast vraagt teelt in de buitenlucht niet alleen om meer bestrijdingsmiddelen en veel meer water maar ook om meer meststoffen, omdat die veel minder efficiënt door het gewas gebruikt worden. En wat niet gebruikt wordt komt in het milieu terecht.

Vanuit een breder ecologisch perspectief is het grootste voordeel van gesloten teeltsystemen dat veel minder grond nodig is, ofwel, het maakt uiterst efficiënt gebruik van de productiefactor grond. Dat geldt helemaal bij productiefaciliteiten van meerdere verdiepingen, die ook in en om steden, bijvoorbeeld op industrieterreinen, opgezet zouden kunnen worden. Bijkomend voordeel daarvan is dat, als de productie vooral in en om de stad waar de productie plaats vindt geconsumeerd wordt, energievretend transport naar de plaats van consumptie sterk teruggebracht kan worden.

Dat laatste aspect is belangrijk omdat, afgezien van de keuze van technologie – ecologisch, industrieel, of mengvormen van beide – het buiten kijf staat dat het gesleep van voedingstoffen over de planeet niet duurzaam is: het legt een te groot beslag op natuurlijke hulpbronnen en veroorzaakt teveel CO2 uitstoot en vervuiling. Voorwaarde voor een duurzame landbouw is regionalisering, ofwel dat consumptie en productie zoveel mogelijk in dezelfde omgeving plaats vinden. Dat geldt zowel voor kassenteelt als voor overige vormen van landbouw.

Vooralsnog is teelt in gesloten systemen alleen rendabel voor gewassen met een hoge waarde en hoge opbrengsten, vooral groenten. Industriële landbouw als de Nederlandse kassenteelt levert wereldwijd nog maar een minieme fractie van de totale landbouwproductie. Daar zal verandering in moeten komen: zulke productie zal één van de standaarden moeten worden van de voedselvoorziening, vooral voor de steden. In koudere landen zal kassenteelt plaats moeten vinden met duurzaam opgewekte energie: zon, wind, aardwarmte. Maar het potentieel ligt vooral in warmere landen, waar verwarming niet of nauwelijks nodig is.

Van vlees naar kunstvlees
Voor het terugbrengen van het landbouwareaal maar ook voor het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen valt de grootste winst te boeken bij het terugbrengen van de mondiale productie en consumptie van dierlijke producten. Dat geldt vooral voor vlees en zuivel. Een groot deel van het landbouwareaal – bijna een derde – wordt gebruikt voor de productie van diervoeding. Anders gesteld: meer dan een kwart van het oppervlak van de aarde wordt gebruikt voor de veehouderij. Daarvan zou een deel ook voor de teelt van gewassen voor directe menselijke consumptie gebruikt kunnen worden; de rest van het veeteelt areaal is daar niet of maar in geringe mate geschikt voor.

Als alle areaal nu gebruikt voor veeteelt en veevoeder gebruikt zou gaan worden voor de teelt van voedselgewassen voor de mens zou het areaal daarvoor bijna verdrievoudigen: van 1,5 naar 4,2 miljard hectare van de in totaal 5,5 miljard hectare die gebruikt wordt voor de voedselproductie (landbouw en veeteelt). Je zou dus kunnen zeggen: helemaal geen probleem dat voor ecologische landbouw meer areaal nodig is – gewoon geen vlees en zuivel meer eten.

Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De ervaring uit het verleden leert dat als mensen het wat breder krijgen ze meer dierlijke producten gaan consumeren. De Food and Agricultural Organization van de Verenigde Naties (FAO) verwacht dan ook op basis van huidige trends dat tegen 2050 de vleesproductie verdubbeld zal zijn. Door mensen meer bewust te maken van de invloed van dierlijke productie op klimaatverandering en andere milieuproblemen zal die groei in de consumptie wellicht wat teruggebracht kunnen worden. Maar het is te verwachten dat verreweg het grootste deel van de mensheid, vooral degenen wiens economische situatie recent zoveel verbeterd is dat men zich eindelijk wat meer vlees kan veroorloven, zich weinig gelegen zal laten liggen aan het pleidooi voor minderen of helemaal vegetarisch gaan eten. En ook de meeste Nederlanders, zelfs zij die best een paar keer in de week vegetarisch willen eten, zullen niet erg ontvankelijk zijn voor het pleidooi om ook de kaas te laten staan. Kortom, bewust maken is goed, moet gebeuren, en kan bijdragen aan het terugbrengen van de consumptie van vlees en zuivel en daarmee de dierlijke productie. Maar op mondiaal niveau kunnen we er niet al te veel van verwachten, zeker niet op korte termijn.

Een mogelijke uitweg uit dit probleem is industriële productie van kunstvlees zonder dat er dieren aan te pas komen. De eerste industriële hamburger kostte weliswaar iets van een miljoen euro, maar iets vergelijkbaars was het geval met de eerste computer. Grootschalig inzetten op onderzoek en ontwikkeling kan de kosten van kunstvlees radicaal doen dalen. Kunstvlees geeft geen problemen met dierenwelzijn en een veel lagere milieubelasting dan de huidige dierlijke productie. Iets vergelijkbaars geldt voor kunstkaas. Een technologische, je zou kunnen zeggen onnatuurlijke oplossing: industriële voedselproductie. Maar wel een strategie die in potentie voldoende soelaas biedt wat betreft duurzaamheid en de behoefte aan voedsel.

Ook vleesvervangers, zoals sommige producten die nu al op de markt zijn, bieden goede mogelijkheden tot het terugbrengen van de vleesconsumptie. Dat moeten dan wel plantaardige vervangers zijn: die op basis van zuivel dragen nauwelijks bij aan het terugbrengen van de uitstoot van CO2, methaan en andere schadelijke stoffen.

Alternatief landgebruik
Het gebruik op grote schaal van kunstvlees en andere vervangers van dierlijke producten zou mondiaal een groot areaal vrijmaken. Dat, zo stellen aanhangers van de ecologische landbouw, zou voor de ecologische teelt van gewassen voor menselijke consumptie gebruikt kunnen worden. Echter, vanuit een breed duurzaamheidsperspectief zou dat vrijkomend areaal ook voor andere doeleinden gebruikt moeten worden. Er is, voor het bevorderen van biodiversiteit en voor het tegengaan van de opwarming van de aarde, een grote noodzaak op grote schaal areaal vrij te maken voor volledige teruggave aan de natuur en voor herbebossing.

De natuur heeft vele voor de mens essentiële functies zoals biodiversiteit, waterbeheer, kraamkamer voor vis, en CO2 omzetting. Kort door de bocht: hoe meer landbouw- en andere cultuurgrond teruggegeven kan worden aan de natuur hoe duurzamer. Vooral grond die minder geschikt is voor landbouw zou gebruikt moeten worden voor herbebossing om de al uitgestoten en nog uit te stoten CO2 op te vangen en zo klimaatverandering tegen te gaan. Dat is des te belangrijker omdat het in toenemende mate duidelijk wordt dat om een rampzalige mondiale temperatuurstijging te vermijden enkel het reduceren van CO2 uitstoot niet meer voldoet. We moeten ook CO2 uit de lucht gaan halen. Een goede (en niet-industriële!) manier om dat te doen is grootschalige herbebossing.

Daarnaast is er in de grote steden, vooral in veel armere landen, behoefte aan meer grond – niet alleen voor (nog) meer bebouwing, maar vooral ook voor groenvoorziening. In veel steden in arme landen is de lucht zwaar vervuild en stijgen temperaturen regelmatig naar ondraaglijke hoogten, met vele doden als gevolg. Grootschalige groenvoorziening kan die temperaturen omlaag brengen, bijdragen aan schonere lucht, en zorgen voor mogelijkheden voor ontspanning. Ook veel steden in de rijke landen kunnen meer groen gebruiken. Bebouwing zal daarvoor meer gespreid moeten worden, en ook daar is dus grond voor nodig.

Concluderend: vanuit een breed ecologisch perspectief geldt dat hoe meer we de landbouw kunnen concentreren op een beperkt areaal, ofwel hoe meer we opbrengsten kunnen optimaliseren, hoe beter dat is voor ons milieu. Dat geldt zowel voor de opvang van CO2 als het behoud van biodiversiteit en ecosystemen. Tot nu toe biedt industriële landbouw daarvoor de beste mogelijkheden. Maar een combinatie van de meest milieuvriendelijke, duurzame en hoog renderende werkwijzen uit zowel de ecologische als de industriële landbouw zou veel betere mogelijkheden kunnen bieden. De technologie om industriële landbouw te bedrijven met minimale milieueffecten is al ver gevorderd en is nog steeds in ontwikkeling. Voor de toepassing ervan bestaan allerlei obstakels. In Nederland vooral de hogere kosten, voor boeren die in een keurslijf zitten van zoveel mogelijk produceren tegen zo laag mogelijke kosten, en die daarmee nu al moeite hebben het hoofd boven water te houden. In arme landen is er vooral een gebrek aan kennis en aan geld om de benodigde investeringen te doen. Daar moet verbetering in komen, vooral door beter beleid.

Landbeheer
Behalve met productieniveaus, biodiversiteit, effecten op het milieu (bodems, water en lucht) en uitstoot van broeikasgassen moet bij het werken aan een duurzamere en productievere landbouw ook rekening worden gehouden met inpassing in een breder, multifunctioneel landbeheer. Zo is er in landen als Nederland de behoefte aan mooie cultuurlandschappen met ruime mogelijkheden voor recreatie. Dat vraagt om integraal landbeheer. Ecologische landbouw past het het best in een landbeheerssysteem gericht op het scheppen of behouden van aantrekkelijke landschappen en biodiversiteit. Een systeem dat de beheerder, de boer, een goed inkomen geeft, kwaliteitsproducten oplevert en natuurontwikkeling en biodiversiteit optimaliseert.

De huidige industriële landbouw, met zijn nadruk op monoculturen (grote oppervlaktes met één enkel gewas) leent zich veel minder voor inpassing in een aantrekkelijk landschap. Monoculturen vergroten bovendien de kans op de grootschalige uitbraak van ziekten en plagen. Ecologische landbouw kent meer diversificatie, in de vorm van gemengde teelten, teelt op kleinere oppervlaktes, en het gebruik van speciale gewassen en behoud van natuurlijke vegetatie voor de huisvesting van predatoren van schadelijke insecten. Dat zorgt voor zowel een gezonder agroecologisch milieu als een aantrekkelijker landschap.

Om de nadelen van de ecologische landbouw wat betreft efficiëntie en uitstoot te minimaliseren kan deze gebruik maken van inzichten, ervaring en kennis van de industriële landbouw. Zo kunnen we komen tot ecologische teeltsystemen die de natuur minimaal belasten en natuurlijke hulpbronnen zo efficiënt mogelijk gebruiken en hergebruiken. Anderzijds kan de industriële landbouw leren van de ecologische landbouw wat betreft het bevorderen van biodiversiteit, bodembeheer, natuurlijke bestrijding van ziekten en plagen, inpassing in een aantrekkelijk landschap, en aanpassing aan het natuurlijke ecosysteem waarin de teelt plaats vindt. Daarnaast leent ecologische landbouw zich voor het creëren van een regionaal georiënteerde kringlooplandbouw, zodat nutriënten circuleren en het transport van producten geminimaliseerd wordt.

Kringlooplandbouw
Het huidige gesleep met zowel landbouwinputs (zoals veevoer) als productie over de gehele wereld is niet duurzaam. Zowel vanwege de energiekosten – waarbij inbegrepen die van de productie van de vervoermiddelen – als van het feit dat die internationale handel leidt tot een verlies aan essentiële nutriënten op sommige plaatsen en een overschot op andere plekken – zoals Nederland. Zo komen nutriënten die eigenlijk in Brazilië hadden moeten blijven terecht in Nederland, in te grote hoeveelheden. In Brazilië leidt dat tot verarming en vermindering van het productiepotentieel, in Nederland tot vervuiling. We moeten dus zoveel mogelijk terug naar een kringlooplandbouw waarbij de nutriënten onttrokken aan de grond daar weer in terugkomen.

Een andere kijk

Duurzame landbouwontwikkeling vereist grote veranderingen: in grondgebruik, voedselproductie, voedselbewerking, voedingsgewoonten en beleid. Maar zeker ook in de manier waarop zowel de adepten van ecologische landbouw als die van de industriële landbouw denken over en kijken naar hun ‘eigen’ en elkaars landbouwsystemen. In het belang van zowel mondiale duurzaamheid als voldoende kwantiteit en kwaliteit van voedsel moeten we af van het vasthouden aan één specifieke vorm van landbouw, of dat nu ecologisch of industrieel is. Alles moet gericht worden op een zo optimaal mogelijk gebruik van schaarse hulpbronnen, met name grond, water en energie. Daarbij gaat het niet om het etiket ecologisch of industrieel maar om wat het meest duurzaam, efficiënt, en effectief is. Efficiënt in het gebruik van schaarse hulpbronnen, en effectief in het bevorderen van het welzijn van mens en milieu, nu en in de toekomst.
Beide productietypen moeten dus zoveel mogelijk verduurzaamd en geoptimaliseerd worden wat betreft kwantiteit en kwaliteit. Daarbij kan wat nu ecologisch is gebruik maken van geavanceerde, kapitaalsintensieve, industriële technologie, en andersom. Uitgangspunt moet zijn de agroecologische, geografische en sociaaleconomische realiteit in een specifiek gebied: van daaruit moet bepaald worden welke systemen het meest geschikt zijn. Dat zullen slechts zelden puur ecologische of puur industriële landbouwsystemen zijn. Meer potentieel ligt er bij combinaties die optimaal gebruik maken van de inzichten en verworvenheden van beide soorten systemen om duurzaamheid en welzijn te maximaliseren. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. En niet alleen voor de Nederlandse bevolking, maar voor de gehele, nog steeds groeiende wereldbevolking – waar óók wat aan moet gebeuren, maar dat is een ander verhaal.

Frans Doorman is consulent plattelandsontwikkeling in ontwikkelingslanden, lid van het platform Duurzame en Solidaire Economie en auteur van meerdere boeken en boekjes over mondiale ontwikkeling, economie en geld (www.new-economics.info).

[1] Bodemvruchtbaarheidsexpert Henk Breman zet bij de claim dat in Nederland de biologische landbouw tot 80% of zelfs meer van de opbrengsten van de conventionele landbouw kan halen de kanttekening dat de biologische landbouw daarbij meelift op die conventionele landbouw, doordat zij profiteert van de uitstoot van die sector. Dat betekent dat in gebieden waar landbouw minder intensief bedreven wordt – en dat is vrijwel overal er wereld – de opbrengstkloof waarschijnlijk een stuk groter is dan 20%.