In november kwam de Monitor Duurzaam Nederland 2014 (MDN) uit, de derde versie, na die van 2009 en 2011. De Monitor geeft via een groot aantal indicatoren weer hoe het er in Nederland voor staat met de kwaliteit van leven. Het gaat niet alleen om de stand van zaken ‘hier en nu’, maar ook om de vraag of we niet zóveel hulpbronnen gebruiken om die kwaliteit van leven te kunnen waarborgen, dat toekomstige generaties of mensen elders daar de dupe van zijn.

Bij de hulpbronnen wordt niet alleen gekeken naar natuurlijk kapitaal (grondstoffen, klimaat, enz), maar ook naar sociaal, menselijk en economisch kapitaal. In de eigenlijke Monitor gaat het dus om ‘hier en nu’, om ‘later’ en om ‘elders’. In het volgende hoofdstuk worden de indicatoren nogmaals, en in wat meer detail, bekeken, onderverdeeld per domein (bijv. gezondheid of klimaat en energie). In het laatste hoofdstuk worden indicatoren bekeken voor ‘groene groei’, waarbij vooral de vraag is of er sprake is van relatieve of absolute ontkoppeling van die indicatoren t.o.v. het Bruto Binnenlands Product (BBP): als het BBP stijgt, gaat de milieudruk dan relatief minder omhoog (relatieve ontkoppeling), of daalt hij zelfs (absolute ontkoppeling)? 

Conclusies MDN

De belangrijkste conclusie van de MDN is dat de kwaliteit van leven in Nederland hoog is, maar dat Nederland, om die hoge kwaliteit te bereiken, een groot beslag legt op natuurlijke hulpbronnen. Dat gaat ten koste van toekomstige generaties en mensen elders, vooral in ontwikkelingslanden. Het grote beslag op hulpbronnen bestaat vooral uit CO2-emissies en de invoer van mineralen en grondstoffen. Wat het natuurlijk kapitaal betreft gaat het ook slecht met de kwaliteit van de bodem en van het oppervlaktewater, al blijkt de conclusie m.b.t. het oppervlaktewater gebaseerd te zijn op een meting uit 2007. Als indicator voor de bodemkwaliteit wordt alleen naar het fosforoverschot gekeken, pas later in het rapport komt het stikstofoverschot ter sprake, terwijl juist dat volgens Rockström et al. één van de planetaire grenzen is die al is overschreden. Beide overschotten zijn, ondanks een dalende trend, overigens nog veel te hoog.

Wat verder nog opvalt, maar niet onverwacht kan komen, is dat de hoge kwaliteit van leven negatief beïnvloed wordt doordat mensen zich nu meer zorgen maken over werkloosheid en de eigen financiële situatie. Enigszins tegenstrijdig lijken de waarnemingen dat enerzijds Nederlanders zich onveiliger voelen, terwijl anderzijds minder Nederlanders slachtoffer van een misdaad waren, en het vertrouwen in de medemens is gestegen.

Het indicatorensysteem

Zoals gezegd wordt de stand van zaken beschreven via indicatoren. De gebruikte indicatoren zijn aanbevolen door de Conference of European Statisticians. Bij iedere indicator wordt d.m.v. een kleur aangegeven hoe de trend is sinds 2000 (groen: beter, rood: slechter, geel: ongeveer hetzelfde) en wat de positie van Nederland binnen de EU is (groen: bij de beste 1/3, rood: bij de slechtste 1/3, geel: er tussenin).

Probleem met deze coderingen is wel dat de absolute waarden erachter verdwijnen, al zijn ze voor de volhouder terug te vinden in de bijlage. Ook een nadeel van deze opzet is, dat niet duidelijk is waar problemen zitten die aandacht behoeven: als de trend ‘groen’ is, of de positie binnen de EU is goed, wil dat nog niet zeggen dat we achterover kunnen leunen, en andersom, bij een ‘rode’ trend of een slecht positie binnen de EU kan het probleem daarachter toch minder urgent zijn.

Tenslotte kun je in een enkel geval van mening verschillen over de vraag of een trend negatief of positief is. Is het inderdaad positief dat er meer geld aan volksgezondheid wordt besteed? Waarom probeert de regering er dan op te bezuinigen? En het feit dat het aantal gewerkte uren in Nederland licht is gedaald, wordt als negatief beoordeeld, we zijn zelfs het ‘slechtst’ binnen Europa; wél wordt gesignaleerd dat dat ook met de hoge arbeidsparticipatie te maken heeft, het aantal uren dat er gewerkt wordt per hoofd van de bevolking is ongeveer gemiddeld. Ook blijkt uit het rapport dat 10% van de Nederlanders zich opgejaagd voelt, dat we zeer tevreden zijn over de hoeveelheid vrije tijd, en dat er nergens zoveel aan vrijwilligerswerk wordt gedaan. Voor PDSE mag het aantal uren per week dat gewerkt wordt dan ook nog omlaag.

Gevolgen voor ontwikkelingslanden

Bij het dashboard ‘Nederland in de wereld’ (dus het onderdeel ‘elders’) geeft de MDN aan dat enerzijds een groot beslag wordt gelegd op hulpbronnen elders door emissies t.b.v. producten die naar Nederland gaan en door de import van grondstoffen, maar dat anderzijds de ontwikkelingshulp sinds 2000 stabiel is (klopt dat nog?), en migranten hier veel geld overmaken aan familie en bekenden in hun land van herkomst. Ook export van goederen uit ontwikkelingslanden naar Nederland zorgt voor inkomen daar. Bij die inkomsten uit export maakt de Monitor terecht kanttekeningen. De inkomsten komen vaak terecht bij een kleine elite, en de eenzijdige gerichtheid op export van grondstoffen is een rem op een gezonde economische ontwikkeling (de ‘resource curse’).

De bespreking van dit onderdeel in de Monitor is echter veel te beperkt om de gevolgen van Nederlands beleid voor ontwikkelingslanden te kunnen beoordelen. Er is al jaren sprake van ‘omgekeerde ontwikkelingshulp’, omdat er meer geld van Zuid naar Noord gaat dan andersom. Dat komt door de, dankzij de rente, eindeloze afbetaling van schulden, door kapitaalvlucht, en door het wegsluizen van winsten door multinationals, die vaak een groot deel van de inkomsten uit de export innen, maar daarover nauwelijks belasting betalen, omdat ze door handel tussen dochterondernemingen de winsten elders kunnen laten vallen. In dit proces van belastingontwijking speelt Nederland een belangrijke rol. Volgens een rapport van Oxfam Novib uit 2013 [1] verliezen ontwikkelingslanden ten minste € 460 miljoen per jaar door belastingontwijking van multinationals via Nederland. Om aan dat laatste wat te doen is minister Ploumen een aantal handelsverdragen aan het herzien, wat duidelijk maakt dat ook zij het in de MDN geschetste beeld als incompleet zal beoordelen.

Groene groei

In het hoofdstuk over groene groei wordt geconstateerd dat er sinds 2001 sprake is van een absolute ontkoppeling voor de uitstoot van broeikasgassen. Die uitstoot is namelijk met 8% gedaald, terwijl het BBP steeg. Die conclusie wordt ten onrechte niet gecorrigeerd in de volgende paragraaf, waar blijkt dat de koolstofvoetafdruk sinds 2001 praktisch constant is gebleven. Die voetafdruk houdt ook rekening met emissies die door Nederland in het buitenland worden veroorzaakt, en die emissies zijn gestegen. We laten kennelijk een groter deel van wat we verbruiken in het buitenland produceren. Er is dus in feite hoogstens sprake van een relatieve ontkoppeling, de totale emissies zijn ongeveer gelijk gebleven bij een stijgend BBP.

Bij de bespreking van het materialenverbruik doet zich een soortgelijk verschijnsel voor. De import van grondstoffen is gedaald, er is dus sprake van absolute ontkoppeling. Even verder blijkt echter dat de grondstoffenvoetafdruk van Nederland is gestegen: in totaal worden er meer grondstoffen verbruikt, maar die worden al in het buitenland in een product verwerkt dat vervolgens wordt geïmporteerd. In bijlage 1, die ook aan groene groei is gewijd, wordt deze conclusie bevestigd: de daling van emissies en grondstoffenverbruik is er alleen als de Nederlandse importen buiten beschouwing worden gelaten. Wat de biodiversiteit betreft is het aantal bedreigde soorten iets afgenomen, maar met de weidevogels blijft het onverminderd slecht gaan.

Wat nu?

De algemene conclusie die voortvloeit uit deze MDN is duidelijk: de Nederlandse voetafdruk is veel te hoog, niet alleen in ons eigen land, maar ook in het buitenland. Minister Kamp heeft, in de discussies over de uitbreiding van de Macro Economische Verkenning met sociaal-economische en ecologisch-economische data, steeds verwezen naar de MDN als bron voor die data. Als hij die verwijzing serieus meende, mag nu verwacht worden dat het kabinet in een reactie op de MDN komt met duidelijke plannen om de Nederlandse voetafdruk te verkleinen. Het energieakkoord is niet voldoende, ook het beslag op andere hulpbronnen, zoals grondstoffen, en het beslag op hulpbronnen buiten Nederland moeten veel kleiner worden om een goede kwaliteit van leven mogelijk te maken voor mensen elders en voor toekomstige generaties.

Gerrit Stegehuis

[1] Oxfam Novib, 2013, De Nederlandse Route, Hoe arme landen inkomsten mislopen via belastinglek Nederland, zie http://www.oxfamnovib.nl/Redactie/Downloads/Rapporten/DeNederlandseRouteBP21052013.pdf (bezocht 10 december 2014)