Expertmeeting Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

op 14 november 2011 zal in Utrecht een expertmeeting plaatsvinden over Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

Op aparte pagina’s is de achterliggende informatie daarvoor te vinden.

Hier de algemene achtergrond informatie

En hier een uitgebreide verzameling begeleidende stukken

Een apart serie stukken van de inleiders vindt u hier.

En na afloop komt er natuurlijk een verslag.

 

Pleidooi voor wereldwijd sociaal vangnet


Trouw


19 september 2011 maandag


Pleidooi voor wereldwijd sociaal vangnet

BYLINE: Han Koch

SECTION: Vandaag; Blz. 4

LENGTH: 435 woorden

- Advies komt op bordje G20 terecht – Plan hoeft landen niet veel te kosten

Om de armoede in de wereld beter te bestrijden en te zorgen dat crises geen vat krijgen op de allerarmsten moeten mondiaal sociale vangnetten worden opgebouwd. Maatregelen voor de zwakkeren hebben bewezen dat ze niet alleen beschermen, maar in crisistijd ook zorgen dat de vraag naar producten wordt gevoed en zo bijdragen aan verhoging van de productiviteit.

Dat pleidooi houdt een adviesgroep die is ingesteld door de ILO, de arbeidsorganisatie van de VN. De groep onder leiding van de voormalige Chileense presidente Michelle Bachelet vindt dat sociale vangnetten mondiaal geaccepteerd moeten worden. Een rapport over deze sociale beschermingswallen, in bezit van deze krant, zal aan de G20 (de groep van twintig voor de wereldeconomie belangrijkste landen) worden aangeboden. Mogelijk dat deze week de plannen van de groep-Bachelet ook ter sprake komen tijdens de jaarvergadering van de Wereldbank en het IMF.

De laatste instelling heeft voor de adviesgroep een aantal modellen doorgerekend. Daaruit blijkt dat ontwikkelingslanden als Benin, El Salvador, Mozambique en Vietnam omvangrijke sociale vangnetten kunnen opbouwen tegen relatief lage kosten. Het zou gaan om slechts 1 tot 2 procent van het bruto nationaal inkomen van die landen. De groep denkt zelfs dat de kosten voor een belangrijk deel gedekt kunnen worden door effectievere inning van belasting bij de rijken en door het bestrijden van inefficiëntie in bestaande programma’s. Wanneer er in een land onvoldoende financiering voor handen is zal ontwikkelingshulp moeten bijdragen. Maar uitgangspunt is dat het land zelf het vangnet betaalt.

De groep-Bachelet wil dat snel met een aantal landen wordt begonnen. Die landen worden niet aangewezen, maar kunnen zichzelf aanmelden. De sociale vangnetten moeten niet de al bestaande sociale verzkeringen vervangen.

Wellicht dat in veel rijke landen het bestaan van een sociaal vangnet vanzelfsprekend is, maar uit cijfers van de ILO blijkt dat 5,1 miljard mensen op de wereld (75 procent) het zonder sociale zekerheid moeten stellen. En ondanks alle inspanningen in het kader van de VN-Millenniumcampagne leeft nog altijd 1,4 miljard mensen van minder dan 1,25 dollar per dag.

Per land dient bekeken te worden hoe het sociale vangnet eruit moet zien. De groep toont zich vooral voorstander van uitkeringen die tevens een verplichting inhouden. Een voorbeeld is de Bolsa Familia in Brazilië. Via die regeling krijgen gezinnen een bijdrage, mits ze ervoor zorgen dat hun kinderen naar school gaan.

 

Trouw

19 september 2011 maandag

Elk land zijn eigen vangnet

BYLINE: Han Koch

SECTION: Economie; Blz. 10

LENGTH: 731 woorden

- VN-commissie: Arme lidstaten moeten in toekomst zelf sociale voorzieningen treffen

Pensioenen voor ouderen, uitkeringen voor mensen die niet kunnen werken en toeslagen om kinderen naar school te kunnen sturen. Maar ook toegang tot de gezondsheidszorg en de beschikbaarheid van drinkwater. Niemand op deze wereld zou zonder deze zekerheden moeten leven.

De werkelijkheid is anders, zo ziet een adviesgroep onder aanvoering van de voormalige Chileense presidente Michelle Bachelet. De groep roept de internationale gemeenschap op overal ter wereld, in elk land, een sociaal vangnet te installeren. Het is een pleidooi voor het maken van sociale afspraken die afglijden in diepe ellende moet voorkomen.

Op 20 februari 2011 riep VN-baas Ban Ki-moon op de Werelddag voor sociale rechtvaardigheid al: “Niemand zou moeten leven beneden een bepaald inkomensniveau en iedereen moet toegang hebben tot publieke diensten als riolering en drinkwater, gezondsheidszorg en onderwijs.”

De woorden van Ban Ki-moon lijken veel op de verklaringen begin deze eeuw bij het opstellen van de zogeheten Millenniumdoelen van de Verenigde Naties. Moet daaruit worden geconcludeerd dat alle energie die is gestoken in het halen van die doelen, zoals het halveren van de armoede in de wereld in 2015 en terugdringen van moedersterfte, voor niets is geweest?

Nee, zegt de commissie-Bachelet. Nee, zegt ook Eveline Herfkens. De voormalige minister voor ontwikkelingssamenwerking maakt deel uit van de commissie en schreef een rapport over de relatie tussen het bestaande Millenniumprogramma en het nieuwe idee voor sociale vangnetten.

Die sociale vangnetten moeten volgens Herfkens zowel een aanvulling als een correctie zijn op de Millenniumdoelen. Die doelen gaan uit van gemiddelden. Het gemiddelde inkomen kan in een land best gestegen zijn, maar dat zegt niets over de welvaartsverdeling in dat land. Wanneer je alleen kijkt naar gemiddelden tonen de Millenniumdoelen volgens Herfkens een geweldige progressie, ook al worden wellicht over vier jaar niet alle doelen gehaald.

De succesverhalen op basis van de gemiddelden kunnen echter maskeren dat grote groepen kwetsbare en niet makkelijk te bereiken mensen geen profijt hebben van de inspanningen. Het gebrek aan aandacht voor bijvoorbeeld de verdeling van welvaart tussen arme en rijk dat in de Millenniumdoelen niet wordt opgelost, kan volgens Herfkens door instelling van sociale vangnetten worden opgevangen.

Het idee veronderstelt dat economische groei meer armoede bestrijdt door een afname van de inkomensongelijkheid. Herfkens ziet in menig onderzoek van de Wereldbank bewijs voor die gedachte.

De voormalige rechterhand bij de Milllenniumcampagne van toenmalig VN-baas Kofi Annan ziet in de introductie van sociale vangnetten per land een goede methode om af te komen van het debat over de gemiddelden van de Millenniumdoelen. Het debat dient volgens haar te verschuiven naar de instelling van nationale sociale zekerheden, al was het maar om een antwoord te krijgen op de vraag wat die andere helft van de armen mag verwachten als in 2015 de Millenniumdoelen, inclusief die van halvering van de armoede, gehaald zijn.

Het pleidooi voor sociale vangnetten heeft de wind mee. De nieuwe generatie leiders van G20-landen als Brazilië, China, India, Indonesië, Mexico en Zuid-Afrika hebben volgens Herfkens vaak zelf al aan de wieg gestaan van initiatieven voor het optuigen van sociale zekerheden. Zij wijst er ook op dat al in 45 ontwikkelingslanden programma’s met sociale uitkeringen worden uitgevoerd.

De reikwijdte, zo’n 110 miljoen gezinnen, is nog gering. Maar mede dankzij nieuw elan bij de Afrikaanse Unie is op het terrein van de sociale zekerheid in Afrika bezuiden de Sahara al het een en ander veranderd. Zeker vijftien landen hebben in hun grondwet passages opgenomen over een sociale agenda.

Het pleidooi van de commissie-Bachelet om nationale sociale vangnetten in het leven te roepen, markeert een herijking van het denken over hulp. De Millenniumdoelen worden niet ter zijde geschoven, maar krijgen een nieuwe impuls.

De aandacht voor de Millenniumagenda had vooral als doel het rijke Westen bij de les te houden. Met het pleidooi voor sociale vangetten verschuift de aandacht van het Westen naar de regeringen in ontwikkelingslanden. Zij moeten nu hun burgers sociale voorzieningen gaan leveren.

Wat mogen armen verwachten na de Millenniumdoelen?

 

Development Cooperation: A Hindrance for Self-Sustainable Developmen

Lou Keune

Development Cooperation:

A Hindrance for Self-Sustainable Development1

Abstract

Since the eighties, worldwide policies regarding development cooperation have been dominated by neo-liberal thought. This policy has included privatization, deregulation, decreasing the role of the government, a restrictive budget policy, abolishing subsidies, free movement of capital and profits, and open markets. Nevertheless, large-scale poverty has remained, and income disparity has increased. Looking back, one can question the idea that development cooperation in reality includes net flows from the North to the South. The developing countries have received less in loans than they have paid in debt payments and interest. Equally, they have seen more profits drain away than direct investments coming in. Since 1980, the deterioration of the terms of trade of developing countries has led to a total loss three times greater than the total amount of all official development aid. Both the worldwide domination by free market principles as well as the reverse development aid are limiting the possibilities for self-development of the poorer parts of the population. The pressure on developing countries and their residents to completely throw open their economies must stop. The right to their own development must be acknowledged, and thereby also the right to choose the most adequate development strategy.

Introduction: A broadened concept of development cooperation

The meaning of the term ‘development cooperation’ broadened during the second half of the last century. Originally it referred to development aid (so-called) and the cooperation between national and international actors involved in the designing and implementing of development programmes. Especially during the sixties and seventies, a lot of attention was paid to various bottom-up strategies such as self-help programs, fundamental education, community development, the cooperative movement, intermediate technology, and land reform. From the first UNCTAD conference (1964), more and more attention was paid to the subject of world trade, in particular to the contribution it could make to the development of countries in the South. ‘Trade, not aid’ became the motto. Reform of the world trade relations was thereby considered to belong to the field of development cooperation. The space for bottom-up approaches remained intact. Possibilities were even seen for better participation by the poorer sections of world population in international trade through local initiatives. Little by little, the possible contribution of foreign private capital became considered significant in both development literature as well as development policies. That significance would mostly lie in the possibilities for international business to modernize the economies of the South, to offer credit, create employment, and increase the proceeds of foreign currency. Thus the term ‘development cooperation’ came to cover world trade and investments and loans by international business, as well as traditional developmental aid.

Neo-liberalization of development cooperation

Since the eighties, worldwide policies regarding development cooperation have been dominated by neo-liberal thought. Supposedly, development would only be possible if not only local, regional and national economies, but also the world economy, were arranged in such a way that production and distribution, including that of the development and implementation of technologies, were led by free market principles. The implementation of this school of thought has led to certain concrete forms of economic policy. International institutions such as the World Bank and its associated regional Development Banks and the IMF have exerted a certain amount of pressure on the national governments of developing countries. That pressure became possible because many developing countries were hit by the so-called debt crisis, as they were unable to meet their credit obligations to public and private lenders. If they wanted to come to what were known as debt settlements, they were dependent on the aforementioned supranational financial institutions. This form of international dependency meant that these institutions could make conditions that delved deeply into national policy and therefore also into the further constitution and development of national economies. Other multinational donors, like the European Union, and bilateral donors, like the individual governments of the high-income countries, followed that policy. The space for the developing countries in question to make their own policies was thus severely restricted. This restriction also involved curtailing the possibilities of following individualized courses of development based on local or regional contexts. The space for local initiatives also became much smaller. All of this also led to the famous Structural Adjustment Programmes – SAP’s. These included privatization, deregulation, decreasing the role of the government, a restrictive budget policy, abolishing many subsidies, free movement of capital including profits, and ending restrictions on imports and exports.

Consequences

Despite these changes in policy, very persistent, fundamental questions remain. Large-scale poverty has persisted and income disparity actually increased, both within countries as well as world-wide (UNDP, 2005, chapters 1 and 2). The ratio of the income of the poorest 10% of the world population to the richest 10% is 1 to 103 (UNDP, 2005, p.38). Because of this, in the early stage of neo-liberalization there were already pleas from within UNICEF for ‘adjustment with a human face’ (Cornia at. al., 1987). Furthermore, regarding nature and the environment, the living planet index is moving downwards and now stands at –40 (WWF, 2004, p.1). We will return to the connection between these negative developments and neo-liberal policy.

This policy has also led to other consequences, which several people warned about at an early stage (e.g. Susan George, 1994). After all, the policy didn’t just lead to continuing large-scale poverty, increasing inequality and further degradation of nature and the environment. It also led to far-reaching structural changes in various national economies as well as in the world economy. First among these structural changes was the opening up of those economies in many ways. The countries involved were and are still obligated to guarantee a free flow of capital. In other words, they were opened up to foreign investment and at the same time forced to remove restrictions for the transfer of profit to other countries, usually the home countries of the investors concerned. The reasoning behind this policy was that economic growth would be strongly stimulated by this foreign investment, which would modernize the local economy (‘modern enterprise’), and also create employment. The privatization policy supported this. All kinds of activities, which until then had been done by the governmental authorities or non-governmental agencies, became the domain of private investors who were often able to acquire public utilities at relatively low prices. This included public utilities regarding energy, water, transport, health care, agricultural education, telephone operating systems, etc. This meant de facto that a large part of the foreign investments were not really investments in the sense that they created new units of production, distribution and transport, but rather takeovers of existing capital. The public goods, which were privatized in this way, were thus more or less removed from policies based on established needs. Instead they became principally based on the laws of the economic competition, in which maximizing profits is first and foremost.

Export led economic growth

Another policy with far-reaching structural consequences was the principle of export led economic growth. Exporting was seen not only as a way to increase the capacity to repay debt, but also as a way to create new economic possibilities. Participation in world trade became the ultimate aim. And that world trade should have to be as free as possible. After all, according to the neo-liberals, hadn’t David Ricardo already shown early in the development of the science of economics that the specializations of countries based on comparative costs sprouting from free trade would be to everyone’s advantage? Now this mandatory free trade was basically forced upon developing countries that were severely weakened by debt and other circumstances. Large developing countries like India and China could (to a certain extent) back out of that obligation. That certainly applied to the rich industrial countries. This is the mechanism pointed out by Chang (2004), namely that countries which themselves have become strong based in part on protecting their own markets, afterwards force free trade upon other countries. With that same history, the world market became the stage of a competition between unequal parties. Apart from the fact that under that same banner of free trade, many examples arose of exporting agricultural products for dump prices, sometimes masquerading as food aid. This constituted serious competition for the existing agriculture and cattle farming in developing countries.

During this rapid expansion of neo-liberal thought, with all the positive developments according to its advocates, the fact that a number of developing countries were experiencing rapid economic growth based on the protection of their economies and the support of directly intervening governments, including a strong expansion of their international exports, was kept outside the discussion as much as possible. In countries like South Korea, China, Taiwan, Malaysia, Singapore, India and Brazil, for example, economic growth was strongly stimulated by import-substituting investments and fast-growing exports in modern sectors like electronics, cars and clothing. These countries were soon being called the Newly Industrialized Countries – NIC’s. These countries were often cited in the debate about development strategy, with the suggestion that free trade had been much to their advantage, despite the fact that they were ruled by strong and in some cases dictatorial governments. They were, and continue to be, countries that look out for one-sided outward orientation possibilities while ascribing much importance to an inward-oriented policy.

Free trade, not aid’

All of this happened during a time when the growth of contributions by the high-income countries to public development aid stagnated. This was a reflection of the growing reluctance in most OECD countries regarding public responsibility for developing countries. At the same time, the task of stimulating development was seen more and more as belonging to private business, which could profit from the favorable conditions created by the SAP’s. Thus we saw a growth of private investments, both in absolute terms and also in comparison to the official development aid. Increasingly, the motto became ‘leave it to the entrepreneurs, they know what to do’. The role of world trade was also coming to be considered more and more important. ‘Free trade, not aid’ became the motto, strongly legitimizing the growing free trade.

Reverse development aid

Much can be said against these and other neo-liberal arguments. Let us look at a number of factual developments. To what extent has there really been a transfer of financial means to developing countries?

First, the theme of the losses the developing countries suffer when dealing with the richer countries must be addressed. Back in the early nineties, the UNDP presented calculations that basically showed these losses to be sizable (UNDP, 1992, p.67). In 1990, the losses amounted to US $ 500 billion, whereas the official development aid amounted to US $ 50 billion (see Figure 1). These are losses due to what could be described as ‘lost opportunities’ caused by discriminating relations in world markets. For example, developing countries usually have to pay more interest on borrowed capital. Another example is the restriction on the international mobility of labor.

Figure 1: Costs of global markets to developing countries (US $ billions)

Within this broad category of ‘lost opportunities’ exists the phenomenon of reverse development aid. Recently I have researched the actual developments since 1980 of two parts of the financial flows. Looking at the category of loans to developing countries, both public and private, I calculated (based on UNCTAD, 2004, Table 6.6) that measured over the total time period, developing countries have received less in loans than they have paid in debt payments and interest (see Table 1). Relatively speaking, the differences are not large, but they support the conclusion that the developing countries are not net receivers of loans. In fact, they themselves have financed the loans they received. This conclusion essentially holds even for those countries, which are neither major oil exporters nor large industrial exporters, a group which shows a small positive balance.

Table 1: Loans received and debt payments 1980 – 2001 (US $ millions)

All developing countries

Major oil- exporting developing countries

Other developing countries

All other countries

Major industrial exporters

Other counties

Loans

2.980.600

440.277

2.540.323

1.673.374

866.950

Debt payments

3.192.508

573.729

2.618.778

1.810.885

807.894

Difference

-211.907

-133.452

-78.455

-137.511

59.056

Figure 2 shows that loans received and debt payments have maintained equilibrium during a large part of this time period. After the millennium change, however, a negative balance becomes notable.

Figure 2: Loans received and debt payments – all developing countries (US $ millions)

It should be noted, therefore, that this way of financing foreign loans has been unable to prevent the (long term) debt of all developing countries from growing during this period – from US $ 325 billion in 1980 to US $ 1,028 billion in 2002 (UNCTAD 2004, Table 6.6).

The second category of financial flow concerns foreign direct investments in developing countries in relation to profits draining from those same countries. I have also made calculations about this based on payment balances data (UNCTAD, 2004, Tables 6.1A and 6.1B) – see Table 2.

Table 2: Foreign direct investments and profit drains 1980 – 2003 (US $ millions)

All developing countries

Major oil- exporting developing countries

Other developing countries

All other countries

Major industrial exporters

Other counties

Foreign direct investments

1.450.981

107.951

1.343.029

993.602

349.427

Profit drains

-1.632.156

-37.916

-1.594.240

-994.178

-600.062

Difference

-181.175

70.036

-251.211

-26.403

-250.635

The table shows that developing countries, except the major oil exporters, saw more profit drain away than direct investments come in. During this time (see Figure 3), the size of these investments increased considerably in the nineties, which caused a positive result for a number of years. As of the new millennium, however, it seems to have been moving in the opposite direction again.

Figure 3: Received foreign direct investments and profit drains – all developing countries (US $ millions)

Ecological footprints

When looking at loans and private investments it is clear that a net transfer of financial means from out of the developing countries has occurred. But transfers can happen in different ways. For example, data from the World Wildlife Fund about the burdens on the natural capacity of the earth can be seen as indications of a different kind of reverse development aid. These data (WWF, 2004, p.10) show that, looking at the average ecological footprint per person per year, the world is at present using over 20% more on a yearly basis than should be allowed according to estimates based on sustainability. And that footprint is becoming more pronounced every year (WWF, 2004, p.1) – see Figure 4.

Figure 4: Humanity’s ecological footprint 1961-2001 (number of planets)

It is mainly the rich countries that are responsible for the worldwide over-burdening. The average footprint in 2001 in the high-income countries was 6.4 ha/person, that of the middle-income countries 1.9 ha/person (about the level that would be acceptable based on sustainability), and that of the low-income countries 0.8 ha/person (WWF, 2004, p.24). An enormous economic debt is building, from the North to the entire world and certainly to the developing countries. It might be interesting to attempt a financial evaluation of this form of reverse development aid.

Deterioration of the terms of trade

There is another transfer that is not easy to assess financially either, but which in terms of size is even more important than that referred to in the category of loans and private investments. This has to do with the development of the terms of trade. The terms of trade are used to indicate the relationship of the average prices of exported goods to those of imported goods. For developing countries in general, this has been deteriorating since 1980. As a result, developing countries must supply more and more energy in their exports, in the form of human and natural values, in order to be able to ‘pay’ the proportionately higher costs of their imports. The old example of a coffee exporting nation having to export an ever-greater number of bags of coffee to be able to import one jeep has lost none of its relevance. I have attempted to express these losses in monetary terms. Again using UNCTAD data (UNCTAD, 2004, Table 6.5), I have calculated what the monetary value of exports and imports would have been if the average prices had remained constant, and then compared these new values with the actual monetary value of exports and imports in order to then be able to ascertain the relative gains and losses (see table 3).

Table 3: Terms of trade gains and losses 1980 – 2002 (US $ millions)

All developing countries

Major oil- exporting developing countries

Other developing countries

All other countries

Major industrial exporters

Other counties

Exports

-4.568.976

-1.873.463

-4.099.870

-2.838.512

-886.368

Imports

912.028

-842.656

1.660.633

1.995.431

48.367

Difference

-3.656.948

-2.716.119

-2.439.237

-843.081

-838.001

These losses are enormous, and in all categories considered (major oil exporters, industrial exporters and others). By comparison, during the same period from 1980 – 2002 the developing countries received a total of US $ 1.321 billion in official financial flows, including the loans financed by those countries themselves. The terms of trade loss during the entire period from 1980 – 2002 is that in triplicate. Obviously the size of these losses is not related just to prices, but also to the size of participation in international trade. Terms of trade losses are hardly seen as problematic these days. This might be because they are in contradiction of the assumed effectiveness of participation in world trade. Additionally, if we examine the terms of trade deterioration on an annual basis, we see a steady increase in that loss (see Figure 5). This can be partly explained through the increased amount of international trade by the developing countries.

Figure 5: Terms of trade gains and losses – all developing countries (US $ millions)

Liberalization and economic growth

It could be argued that these forms of reverse development aid are lamentable, but do not say anything about the actual contribution that financial transfers and liberalization of trade have made to the economic development of the developing countries. For example, one might argue that foreign private investments and international trade, their characterization in terms of profit drains and unequal trade notwithstanding, have actually increased productivity. There is, in fact, recent research covering precisely this topic, from which an image emerges different to that which the conventional wisdom would lead us to expect. Halit Yanikkaya, for example, has tried to find an answer to the question, ‘Do open economies grow faster than closed economies?’ Yanikkaya published an article on this in 2003 with the results of his research into the relationship between economic growth and trade restrictions or trade liberalization. He concluded thus:

Surprisingly, unlike the literature on the growth effects of trade intensity ratios, findings of empirical studies of trade restrictions are considerably different from predictions of theoretical studies. Even though the theoretical growth studies provided no conclusive evidence about the direction of growth effects of trade barriers, especially for developing countries, a great majority of the empirical studies concluded that there exists a significant and negative relationship between trade restrictions and growth. Whereas, our results are much closer to the predictions of theoretical studies and evidently contradict the findings of earlier empirical studies. We believe that our results cast substantial doubts on the conventional view that suggests a robust and negative relationship between trade barriers and growth. In other words, all measures of trade barriers used in the study are significantly and positively correlated with growth. Thus, our results actually provide considerable evidence for the hypothesis that restrictions on trade can promote growth, especially of developing countries under certain conditions.’ (Yanikkaya, p.85)

Egor Kraev (2005) very recently published his research entitled ‘Estimating GDP effects of trade liberalisation for developing countries’. Kraev researched the effects of that liberalization for the period 1975 – 2001 on both the balance of payments and the gross domestic product (GDP) of the countries involved. Kraev used data from the World Bank and the IMF, limiting himself to the low-income countries on which sufficient data are available, and calculating according to the starting year in which trade liberalization was implemented in each country. In total, this research covers 32 countries, most of which are situated in Africa, although large countries like Bangladesh, India, Indonesia and Pakistan are also included. Kraev specifically addresses the consequences of the disappearance of demand that might occur as a result of liberalization:

Trade liberalization in poor countries led to an increase in exports, and to an even higher increase in propensity to import. This led to a worsening of the trade balance, and at the same time a decrease in net demand for domestically produced goods and services, which likely caused a decrease of domestic income (GDP).’ (Kraev, p.2)

Kraev shows that these losses of demand have serious consequences. Quantifying this, he comes to the conclusion that for all 32 countries combined, the total loss of GDP during that period, measured in US dollars at year 2000 rates, was almost 900 billion. As Table 4 (from Kraev, 2005, p.14) shows, the losses for these 32 countries measured in terms of GDP percentages were also enormous.

Table 4: GDP impact as percentage of the respective country’s GDP (selected countries)

1975 – 1979

1980 –1984

1985 –1989

1990 –1994

1995 –1999

2000 –2001

Average

East Asia and Pacific

4.40%

10.90%

11.00%

20.90%

11.80%

Latin America

and Caribbean

14.00%

18.80%

25.50%

29.40%

21.80%

Middle East and

North Africa

22.50%

21.20%

16.10%

20.70%

South Asia

4.60%

6.70%

10.60%

15.60%

10.20%

Sub-Saharan

Africa

7.60%

12.70%

11.30%

8.40%

10.80%

16.70%

11.20%

We can conclude the following: the assumption that the liberalization of trade is a stimulant for economic growth in developing countries is extremely debatable. In fact, there are many indications that justify the contrary conclusion that this liberalization hampers further development. This is a conclusion also drawn by the British aid organization, Christian Aid. Based on Kraev’s research they conclude the following about sub-Saharan Africa:

Trade liberalization has cost sub-Saharan Africa US $ 272 billion over the past 20 years. Had they not been forced to liberalize as the price of aid, loans and debt relief, sub-Saharan African countries would have had enough extra income to wipe out their debts and have sufficient left over to pay for every child to be vaccinated and go to school. Two decades of liberalization has cost sub-Saharan Africa roughly what it has received in aid. Effectively, this aid did no more than compensate African countries for the losses they sustained by meeting the conditions that were attached to the aid they received.’ (Christian Aid, 2005, p.2)

Development cooperation and self-sustainable development

The worldwide domination by the neo-liberal development model also has worldwide consequences. It has manifested not only in phenomena like poverty, inequality and deterioration of the environment, but has also had far-reaching structural repercussions. Human and natural resources are withdrawn on a large scale from the means of existence for people in developing countries. This is only very partially compensated for by financial flows from the North to the South, financial flows that strengthen the aforementioned process of withdrawal. Through this alone, the developing countries are already severely limited in their possibilities for the future.

The productive potential (human and natural resources) in developing countries is thereby progressively aimed at production primarily for export, not at increasing the standard of living in those countries. In an institutional sense, the economy is increasingly dominated by private business, with the maximization of profit as its main aim. Through the tendency of capital to concentrate, the door is opened to an increase in power of the large international private actors. Therefore, the power of local public authorities to implement policies primarily aimed at an all-inclusive general welfare is limited. This does not exclude an increase in prosperity. Nevertheless, a lot of research shows that an increase of the average level of prosperity, insofar as this can be ascertained, is coupled with increased inequality and the marginalization of a large part of the population.

It must be concluded that the possibilities for self-development of the poorer parts of the population are limited. Their participation in the growing activity in the sectors led by corporate business will be limited in the long term, because they are also subject to intensifying international competition. We have already seen this occur in many sectors of economic activity in developing countries. There is a continual movement of economic activity from one country to another. For example, the clothing industry in Bangladesh and India suffers from competition with China. Important parts of the assembly companies stationed in free trade zones in Mexico and Central America are being transferred to other countries without being replaced with new economic activity. The large increase in world production of coffee has led (until recently) to strongly decreased coffee prices causing serious problems for many coffee farmers and their families in, for example, Central America. In other words, the sectors aimed at world trade offer limited prospects for the large masses of urban and rural poor. Added to that is the fact that activities which could expand because they are producing for worldwide growing markets (like soy and tourism) can hamper the opportunities for other activities. There are ever more reports about how the fast expansion of the cultivation of (modified!) soy in countries like Brazil and Argentina is pushing out small farmers, with severe social and ecological consequences. There are also examples of tourism at the cost of local farming and fishing, as well as the local nature and environment (Keune and Vugts, 2002).

This is also true for the sectors aimed at domestic sales. Their production and trade has also become dominated by large companies, which are motivated by profits, and have important competitive advantages such as economies of scale and access to the most modern technologies. Of course this also means that in these markets there are less prospects for small farmers, craftspeople, transporters and traders.

In short, the opportunities for small producers and low-income groups to attain bottom-up development, including development of the most adequate technologies, are decreasing. For them, the most attainable prospects might well be survival strategies. Such strategies could consist of concentrating even more on the production of goods and services for themselves and, through barter, for others in similarly marginalized situations. These are, by definition, prospects not primarily concerned with development but with just surviving as well as possible. And in this context, the development and implementation of special technologies can be of great importance. For example, the technical possibilities to produce building materials with very limited resources and using them for shelter. In other words, survival can also be improved. Even for these survival strategies, however, the prospects are not bright. Take the example of the large-scale cultivation of soy: through various mechanisms (such as buying the land) small, self-sufficient farmers are encouraged to leave their land and live elsewhere.

New parameters for development cooperation

The above considerations might lead to the conclusion that nothing can be done other than giving up. Nothing could be further from the truth. In principle there are realistic opportunities for all kinds of development, including the use of technologies that are adequate for the specific situations people are in. However, these possibilities can only manifest when certain conditions are met. The most important, and certainly the most urgent, is that the pressure on developing countries and their residents to completely throw open their economies must stop. The right to their own development must be acknowledged, and thereby also the right to choose the most adequate development strategy. This demands a profound change in the policy of supra-national institutions like the World Bank, the IMF, the WTO and the EU, as well as the economically powerful countries. Developing countries and regions should have the right to implement measures that offer a certain amount of protection for local and regional development without the threat of international competition.

A second condition is that the various forms of reverse development aid must come to an end. Self-sustained development is impossible when developing countries continue to lose important resources. Stopping this will, of course, have far-reaching consequences for the societies in the North. Debts must now de facto be called off. Products from developing countries must finally receive a fair price. The over-burdening of nature and the environment must end, even if that means that material production and consumption in the rich countries has to be limited. And there will have to be a system of reparation payments with its most important aims being to guarantee the survival of the large masses of the poor and marginalized and to repair the eco-systems of developing countries.

References

Chang, Ha-Joon (2004), ‘What is wrong with the ‘Official History of Capitalism’? With special reference to the debates on globalisation and economic development’, in Fullbrook, Edward (ed.), A Guide to What’s Wrong with Economics, London: Anthem Press

Christian Aid (2005), The Economics of Failure: The Real Cost of ‘Free’ Trade, London: Christian Aid

­Cornia, G. and Jolly, R. and Stewart, F. (1987), Adjustment with a Human Face, Oxford: Clarendon Press

George, Susan (1994), Faith and Credit: the World Bank’s Secular Empire, London: Penguin

Keune, Lou, and Vugts, Jan (2002), ‘The economic significance of tourism in Latin America’, in Dahles, Heidi and Keune, Lou (eds.), Tourism Development and Local Participation in Latin America, New York: Cognizant

Kraev, Egor (2005), Estimating GDP Effects of Trade Liberalisation for Developing Countries, London: Christian Aid

UNCTAD (2004), Handbook of Statistics 2004, Geneva: UNCTAD

UNDP (1992), Human Development Report 1992, New York: UNDP

UNDP (2005), Human Development Report 2005, New York: UNDP

WWF (2004), Living Planet Report 2004, Geneva: World Wildlife Fund

Yanikkaya, Halit (2003), Trade openness and economic growth, in Journal of Development Economics, Volume 72, October 2003, pages 57-89

1 Published in: Tailoring Biotechnologies, volume 1, issue 2, winter 2005-2006.

Herverdeling leidt niet tot minder groei, integendeel

Een knap staaltje inconsequent argumenteren dat Marc De Vos (Itinera) in ‘De Morgen’ van 13 april ten tonele brengt. Hij gaat in tegen de stelling van Richard Wilkinson (‘De Morgen’, 12 april) dat meer gelijkheid in een samenleving leidt tot het veel minder voorkomen van samenlevingskwalen als tienerzwangerschappen, geweld, zwaarlijvigheid, kindersterfte, verslaving, etc.

Economische groei: bijvoorbeeld in de strijd tegen klimaatverandering

Geconfronteerd met overweldigend bewijsmateriaal is de kritiek van De Vos gestoeld op het argument dat we correlaties niet mogen verwarren met causaliteit: we kunnen niet weten of het ongelijkheid is die tot al deze problemen leidt of, omgekeerd, deze kwalen ongelijkheid veroorzaken.

Volgens de strikte regels van de statistiek heeft De Vos gelijk, al is de kans veel kleiner dat al deze kwalen telkens de oorzaak van ongelijkheid zijn dan dat ongelijkheid de doorslaggevende determinant is, de onafhankelijke variabele, voor al deze problemen.

Maar oké, het is Marc De Vos zijn goed recht om door te bomen over het verschil tussen correlatie en causaliteit omdat dit in zijn ideologische kraam past.

Negatief verband tussen gelijkheid en economisch groei?

Het is dan vervolgens wel heel cynisch om te lezen hoe Marc De Vos in de rest van zijn stuk omspringt met wetenschappelijke standaarden. Zonder enig bewijs of model beweert hij dat er een negatief verband is tussen gelijkheid en economisch groei: een beetje meer van het ene impliceert een beetje minder van het andere en minder economische groei kunnen we ons helaas niet permitteren.

Maar is die relatie wel zo? A la guerre (des idées) comme à la guerre, dus even anekdotisch: presteren de egalitaire Scandinavische landen dan zo slecht? Het is trouwens opnieuw bijna grappig (moest het niet zo pijnlijk zijn) om te zien hoe Marc De Vos met het Scandinavische model omspringt.

Hun egalitaire samenlevingen zijn cultureel bepaald en vallen niet zomaar te transponeren naar andere landen, stelt hij. Elders zijn de auteur en zijn medestanders er wel altijd als de kippen bij om die aspecten van het Scandinavische model die hen bevallen, als flexicurity, aan te prijzen als voorbeelden die we niet snel genoeg kunnen kopiëren.

Maar terug naar de stelling dat meer gelijkheid tot minder economische groei zou leiden. Als De Vos het boek The Spirit Level van Richard Wilkinson en Kate Pickett echt gelezen heeft, dan weet hij dat de auteurs, in navolging van steeds meer economen, ook tonen dat ongelijkheid niet zozeer samengaat met meer groei, als wel met schulden en economische crises.

Schuldenlast en herverdeling

In tegenstelling tot hoe het meestal wordt voorgesteld, zijn het niet de herverdelende landen die zich onhoudbaar in de schulden steken. Integendeel, de meest ongelijke landen hebben ook de meeste private en publieke schulden.

Ongelijkheid was op die manier één van de belangrijkste oorzaken van de financieel-economische crisis. Burgers in de VS met een laag inkomen werden er gestimuleerd om schulden aan te gaan om de aankoop van een huis en consumptiegoederen te financieren en zo de economie kunstmatig draaiende te houden.

De superrijke Amerikanen belegden hun geld dan weer in financiële toxische producten die afgeleid waren van zulke leningen omdat ze hun geld toch niet opgeconsumeerd krijgen en investeren in productieve sectoren veel minder opbrengt. Dit leidde onvermijdelijk tot een zeepbel en nu zitten we allen op de blaren.

Volgens De Vos moeten we trouwens nog meer lijden: inleveren om te groeien en onze welvaartstaat betaalbaar te houden. Gelijkheid is niet gratis en leidt tot minder groei, is de stelling van De Vos.

Wel, ik daag De Vos uit te bewijzen dat dit en niet net het omgekeerde geldt: herverdeling is een stimuleringsmaatregel die niets kost.

Om een recent voorbeeld te geven. In welke mate zal de bonus van 800.000 euro die Dexia CEO Mariani onlangs kreeg toegekend bovenop zijn ‘gewoon’ loon van al meer dan één miljoen voor groei van de Belgische economie zorgen?

“Wel, ik daag De Vos uit te bewijzen dat dit en niet net het omgekeerde geldt: herverdeling is een stimuleringsmaatregel die niets kost”

Denkt u dat de bakker op de hoek van Mariani’s straat plots exponentieel zijn omzet zal zien stijgen? De kans is veel groter dat dit geld wordt belegd in wie weet welke aandelen, op die manier de volgende zeepbel voedend, dan dat het onze economie stimuleert.

Extra groei door herverdeling

Als daarentegen die 800.000 euro zouden worden verdeeld onder mensen die met een zeer laag inkomen moeten rondkomen, is de kans groot dat de plaatselijke particulieren daar wel mee van profiteren. En dat zij dat extra inkomen op hun beurt weer spenderen.

Op die manier zorgt herverdeling dus voor gratis extra economische groei. Het wordt hier ongenuanceerd voorgesteld, maar een karikatuur moet soms met een karikatuur worden beantwoord.

Het boek van Wilkinson en Pickett is echter niet karikaturaal, maar net heel genuanceerd en rigoureus onderzocht en geschreven. Het toont dat de idee van gelijkheid dat in deze tijden steeds als naïef wordt voorgesteld net wel de oplossing voor vele problemen en uitdagingen kan bieden, niet alleen voor ons welzijn (dat sommigen misschien een te ‘soft’ argument vinden), maar ook voor economische groei, en bijvoorbeeld nog de strijd tegen klimaatverandering.

Ferdi De Ville

Ferdi De Ville is verbonden aan het Steunpunt Buitenlands Beleid en de Universiteit Gent en actief binnen Poliargus.

 

Achtergronden expertmeeting Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur:

naar een nieuw perspectief

Expert Meeting, 14 nov 2011, Kargadoor Utrecht

Achtergronden

 In de achter ons liggende jaren is links en rechts (geografisch, zowel als politiek) gediscussieerd over, en vanuit een breed spectrum aan insteken gelobbied en actie gevoerd inzake ontwikkelingsbeleid en de praxis van ontwikkeling. Dit vond plaats op basis van kritische beschouwingen over de effectiviteit van OS, de mate waarin erkende doelstellingen van ontwikkeling bleken te worden gehaald, de relatie handel-ontwikkeling en fair trade, de ‘omgekeerde ontwikkeling’, de doordenking van (oude en) nieuwe geo-economische en geopolitieke realiteiten (nieuwe machten, nieuwe actoren in donoren-kringen), nieuwe oriëntaties die voortvloeien uit zich aandienende crises in de sfeer van milieu (o.a. klimaat en water), voedselvoorziening, etc (de problematiek van de ‘global public goods’). Betrokken actoren waren: ontwikkelingsgerichte organisaties, academische centra etc, inclusief organisaties van andersglobalisten etc., al dan niet in het kader van het World Social Forum. In het Nederlandse taalgebied bestaat een lange traditie van voeding van deze discussie en engagement bij daarop voortbouwende actie.1 deze is het denken over ontwikkelingssamenwerking (zij het vooral over de repercussies ervan op nationaal/bilateraal niveau) recentelijk gevoed door het WRR-rapport (Minder pretentie, meer ambitie, 2010). Internationaal ontspint zich een discussie over de oriëntatie van het ontwikkelingsbeleid “post 2015” – zowel in termen van doelstellingen als achterliggende visies (met name in VN-verband).2

 Tegelijkertijd is er sprake van groeiende erkenning van de visie dat het neoliberale model van de economische orde en van de kaders waarbinnen mondialisering zich zou dienen te voltrekken, faalt. Op internationaal niveau is het denken over structurele kanten van het ontwikkelingsbeleid weer aangewakkerd, o.a. door een rapport van de Secretaris Generaal aan de Algemene Vergadering over de “… challenges for equitable and inclusive sustained economic growth and sustainable development, and of the role of the UN in addressing these issues in the light of the New International Economic Order (A/65/272, 2010) en Resolutie A/RES/65-94 waarin de SG ook wordt gevraagd te rapporteren over “global economic governance and development” in het kader van een bezinning over de centrale rol van de VN in “global governance”. Bij dat laatste issue gaat het niet alleen om de verhoudingen tussen het VN-systeem en bijvoorbeeld de G-20, maar zou ook op de compositie en kwaliteit van de VN-structuur moeten worden gelet in het ter hand nemen van mondiale (economische) ‘governance’.

 De financieel-economische crisis leek ook binnen de traditionele ‘mainstream’ zichtbaar te maken dat het “marktfundamentalisme” (Stiglitz, 2006) achterhaald was. Het leek er bijvoorbeeld op dat ook in die kringen een structureel ander ontwikkelingspad, een “green new deal”, werd gezien als een weg om meerdere crises in een strategische bundeling tegemoet te treden, maar de aandacht daarvoor in en rond de G20 luwde snel. Ook in het denken over een “new green deal” of de “groene economie” (bijvoorbeeld in en na Rio+20) zou het niet alleen moeten gaan over kritiek op de uitkomsten van economische activiteiten en productie/consumptiepatronen op mens en milieu, maar ook over de discrepanties tussen een marktorde waarin koopkrachtige vraag en commercieel aanbod op ongereguleerde markten de economische ontwikkeling domineren, en een wereldorde gericht op rechten en de realisatie daarvan. Anders gezegd: er zit een duidelijk paradigmatische component in de discussies over ontwikkelingsprocessen, ontwikkelingsbeleid, en de mondiale economische orde.

 Uit het bovenstaande volgt de wenselijkheid van een samenhangende bezinning op:

  1. de wenselijke inhoudelijke richting van een nieuw mondiaal ontwikkelingsperspectief;

  2. de voor de realisatie daarvan wenselijke structuren van “global (economic) governance”; een en ander op basis van:
  3. een insteek op basis van een marktkritisch vertrekpunt (cf. Myrdal: “there is no view without a viewpoint’).

Ad iii: Relevante paradigmatische aspecten zijn bijvoorbeeld: rights-based approach (incl voor sociale – en milieuaspecten), global public goods, global governance in plaats van marktprimaat, duurzaamheid i.p.v. BNP-groei (lange termijn, groen), ‘needs driven’ (in plaats van koopkracht/marktgestuurd), versterkte zelfredzaamheid + solidariteit, inclusiviteit/participatie. In het teken van een meer fundamentele discussie over ontwikkeling staat bijvoorbeeld het recente boek van Francine Mestrum: Ontwikkeling en Solidariteit, 2010). Aangesloten kan worden bij de gedachte dat het gezien de nieuwe crises op langere termijn gaat om een kwestie van overleven meer dan om traditionele ontwikkeling.

Ad i: Prioriteiten en strategie: hier is een schril contrast tussen de ontwikkeling van de agenda’s van verschillende landen, bijvoorbeeld over de mate waarin ontwikkelingsbeleid geënt kan worden op donor-belangen, de mate waarin moet worden ingezet op economische zelfredzaamheid dan wel er ook ruimte moet zijn voor sociale aspecten, etcetera. Uit de genoemde VN-rapporten blijkt een streven tot heroriëntatie op een inhoudelijke agenda voor “equitable, inclusive and sustainable development”, met als hoofdelementen: werk/werkgelegenheid (structurele economische ontwikkeling), “groene” ontwikkeling, en mondiale bestaanszekerheid. Een vraag zal zijn of de Expert Meeting kan convergeren op een agenda die op coherente wijze employment/work, social security, environmental sustainability accentueert en op weliswaar bevlogen wijze maar toch met benen op de grond kijkt naar repercussies in termen van structuren van ‘global (economic) governance’.

 Een ander punt hier is de nieuwe context rond ontwikkelingssamenwerking. Aandacht dient te worden geschonken aan nieuwe actoren/donoren (fondsen, maar ook opkomende landen) met eigen beleidsvisies.

 Ad ii: Diverse van de in voetnoot 1 opgesomde documenten bevatten ook suggesties voor uitbouw van de VN-architectuur in de richting van een meeromvattende “governance”. Ook uit de kring van DSE en aanverwante netwerken wordt uitbreiding van de institutionele structuur (systemische verandering) bepleit. In o. a. de klimaatdiscussie is bijvoorbeeld een groeiende interesse in mondiale belastingen of andere vormen van opwekking van geldstromen ten behoeve van de financiering van klimaatbeleid of andere vormen van ontwikkelingsfinanciering of facilitering van de voorziening met ‘global public goods’. Vergt dat niet een global treasury? Er wordt in VN-kringen gedacht over “global economic governance”. Hoe denken wij daarover? En Hoe verhoudt zich dat tot de de facto machtsstructuren als de G20 en tot de VN.

 Doel en Opzet Expert Meeting

 Doel: Het doel van de bijeenkomst is om, tegen de hierboven geschetste achtergrond, te bezien in welke richting en hoe het PDSE-perspectief op internationale ontwikkeling en governance kan worden aangescherpt. Nadrukkelijk wordt voorop gesteld, dat het uitputtend behandelen van alle drie thema’s op een bijeenkomst van 1 dag onmogelijk is; het gaat dus om verkenningen en om elementen van een perspectief. Een aantal van de genoemde speerpunten/thema’s kunnen nader worden bekeken tijdens de expert-meeting; soms kan worden voortgebouwd op resultaten van eerdere expert meetings.

Opzet: De expert meeting dient een discussiegericht karakter te dragen, op basis van een aantal korte inleidingen langs drie lijnen: (i) perspectieven op mondiale ontwikkeling, (ii) internationaal ontwikkelingsbeleid en -strategie, (iii) naar ‘global economic governance’.

De inleiders zal worden gevraagd om vooraf een relevant artikel en/of stellingen (maximaal 1 A4) van hun hand beschikbaar te stellen, zodat een optimale voorbereiding door de overige participanten mogelijk wordt en de inleidingen zelf inderdaad bondig kunnen blijven. Voor elk van de inleidingen is 30 minuten beschikbaar. Uiteraard is er tijd voor discussie; in een aantal gevallen zal de discussietijd van verschillende opeenvolgende inleidingen bijeen worden gevoegd.

Participatie: uitnodigingen gaan naar (personen uit de instanties op) de onderstaande lijst.

  • Platform + aanpalende CSO (MFO, milieu, etc),

  • OXFAM/NOVIB, ICCO, HIVOS, CORDAID, Both Ends, FOE/MD, Greenpeace, OIKOS, SOMO; Terra Reversa, ANPED, 11-11-11, Broederlijk Delen.

  • Verwante kringen in academia, (RUN, UvT, VU, ISS, UA, UG, etc)
  • Verwante kringen in de politiek (met name de Zuid-Noord denkers daarin): GL/PvdA/CU/SP, en in België: Spa, etc.

Dagvoorzitter: Ted van Hees

Organisatie: ondersteunend secretariaat Esther Somers (met Lou Keune en Hans Opschoor)

Verslag: Platform DSE

 Programma

NB: verschillende hieronder genoemde externe personen zijn nog te vragen.

 09:30 – 10:00 Aankomst en koffie

10:00 – 10:15 Lou Keune: welkom, inleiding op EM, introductie dagvoorzitter

 Sessie I Perspectieven op mondiale ontwikkeling

10:15 – 10:45 Francine Mestrum: Alternatieve perspectieven

10:45 – 11:15 Discussie

11:15 – 11:25 Korte pauze (koffie/thee)

Sessie II Beleid: Prioriteiten, Strategieën, Kanalen

11:25 – 11:30 Overgang van Sessie I naar sessie II (voorzitter)

11:30 – 12:00 Rolph van der Hoeven: Werk/Bestaanszekerheid en de Reductie van de Mondiale Inkomensongelijkheid

12:00 -12:30 Discussie

12:30 – 13:15 Pauze (lunch + frisse neus)

13:15 – 13:45 Hans Opschoor: Groene Economie en Internationale Ontwikkeling

13:45 – 14:15 Kees Hudig: Globalisering van Onderop en Internationale Ontwikkeling

14:15 -15:00 Discussie

 15:00 – 15:10 Korte pauze (koffie/thee)

 III Institutionele en Structurele Implicaties voor Global Governance

15:10 – 15:15 Overgang van Sessie II naar sessie III (voorzitter)

15:15 – 15:45 Eric Goeman: Mondiale Fiscaliteit en andere Systemische Veranderingen voor een Solidaire Wereldorde

15:45 – 16.15 Geske Dijkstra: Global Economic Governance” en “the Powers that Be”.

16:15 – 17:00 Discussie

17:00 – 17:15 Samenvatting (implicaties visie PDSE, eventuele volgende stappen) door Hans Opschoor

17:15 Sluiting door dagvoorzitter

17:15 en verder: Borrel

Bijlage: sprekers:

Eric Goeman (Attac-Vlaanderen)

Ted van Hees (PDSE, OXFAM-NOVIB).

Danielle Hirsch (econome, directeur Both Ends)

Rolph van der Hoeven (oud ILO, AIV, ISS)

Kees Hudig (globalifo.nl)

Peter Knorringa (ISS, ex VU).

Francine Mestrum (PDSE, VUB, UGent)

Hans Opschoor (ISS, UN-CDP, ex VU)

Geske Dijkstra (EUR)

Jan Vandemoortele (ex UNDP)

Robert Went (WRR, ex UvA)

1 Dit is niet de plaats om een overzcht daarvan te geven, maar bij wijze van voorbeelden uit zowel een meer radicale als meer reformistische traditie, valt te denken aan mensen als Tinbergen, Huizer, Pronk, Breman, Nederveen Pieterse; en organisaties als XminY, EVS, SOMO en de MFOs. Bijdragen vanuit het Platform waren er bijvoorbeeld van Lou Keune, Francine Mestrum (zie voor hen de literatuurlijst).

2 Zie bijvoorbeeld: ILO and WHO 2009. ”The Social Protection Floor: a joint crisis initiative of the UN Chief Executive Board for Co-ordination on the social protection floor. Geneva, Oct 2009 (www.un.org/en/ga/second/64/socialprotection.pdf.); IMF and ILO 2010. The challenges of growth, employment and social cohesion. Joint ILO-IMF conference in cooperation with the office of the prime minister in Norway. Oslo, 13-09-2010 (www.osloconference2010.org/discussionpaper.pdf); UNRISD’s (UN Research Institute for Social Development) 2010. Combating Poverty and Inequality: structural change, social policy and politics. UNRISD, Geneva; UN-DESA’s 2010:  World Economic and Social Survey 2010: Retooling Global Development. UN, NewYork (zie ook website www.un.org/desa); UNCTAD 2010. Employment, Globalization and Development. Trade and Development Report 2010. New York and Geneva; UNCTAD 2010. Towards a New International Development Architecture for LDCs. UN New York and Geneva; zie ook de inmiddels talloze documenten over een groene economie (via www.unep.org), en de UNFCCC-site (www.unfccc.int) inzake klimaat-gerichte strategieen.

 

Lijst documenten expertmeeting IOMB

EM Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

 Lijst van documenten

 (Klik op de titels of links om het document te krijgen)

*) Ackerman, Frank: The Shrinking Gains from Trade: A Critical Assessment of Doha Round Projections (2005)

*) Bachelet, Michelle: Social Protection Floor for a Fair and Inclusive  Globalization (pdf)

*) Bauwens, Daan: Vooral rijke landen worden beter van ontwikkelingshulp (2011)

*) Biezeveld, Gustaaf: Ecosysteemdiensten in gevaar(2010)

*) Christian Aid: Hungry for justice: Fighting starvation in an age of plenty (2011)

*) Childers, Erskine: The United Nations and global institutions. In Development Dialogue no. 56 (link naar pdf-file) pag. 149-161

*) Childers, Erskine: The United Nations in the ‘New World Order’. In Development Dialogue no. 56 (link naar pdf-file) pag. 201-215

*) Childers, Erskine: The United Nations in a world of conflict – Assuming our responsibilities . In Development Dialogue no. 56 (link naar pdf-file) pag. 261-277 (with a commentary by Jan Pronk)

*) Christian Aid: Hungry for Justice – Fighting Starvation in an Age of Plenty (2011)

*) De Ville, Ferdi De: Herverdeling leidt niet tot minder groei, integendeel (2011)

*) Earth System Governance: Policy Brief on the Institutional Framework for Sustainable Development (2011)

*) Graaf, Kars de, Hilde Komduur, Lester von Meijenfeldt: Juridische stappen naar een duurzame en solidaire samenleving (verslag EM, 2011)

*) Hees, Ted van, verzameling documenten (pdf)

*) Hudig, Kees: Mondiale Bestaanszekerheid (verslag EM 2009)

*) ILO and WHO: The Social Protection Floor: a joint crisis initiative of the UN Chief Executive Board for Co-ordination on the social protection floor. Geneva, Oct 2009

*) ILO and IMF: The challenges of growth, employment and social cohesion. Joint ILO-IMF conference in cooperation with the office of the prime minister in Norway. Oslo, 13-09-2010 (link naar pdf-file);

 *) Keune, Lou: Development Cooperation: A Hindrance for Self-Sustainable Development (2005 / 2006) (pdf-versie)

 *) Keune, Lou, en Francine Mestrum: De grote leugen van ontwikkelingssamenwerking (2007)

*) Keune, Lou : Bestaanszekerheid en de vernieuwing van het Mondiaal Economisch Beleid (2006)

 *) Keune, Lou: The Myth of Development Aid (2009)

 *) Koch, Han: Pleidooi voor wereldwijd sociaal vangnet.Trouw 19 9 11

 *) Opschoor, Hans: Mondiale Bestaanszekerheid: een inleidend overzicht (2009)

*) Opschoor, Hans: Sustainable Development and a Dwindling Carbon Space (2010)

*) Rio + 20 Police Brief,  Transforming governance and institutions for a planet under pressure (pdf)

*) Schulmeister, Stephan (Austrian Institute of Economic Research) The European Monetary Fund (pdf)

*) Stiglitz, Joseph, en anderen: The G20 and Recovery and Beyond (e-book als pdf)

*) Stichele, Myriam van der: Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur: naar een nieuw perspectief

*) Terhal, Piet: Enkele internationale dimensies van de transitie (2009)

*) Terhal, Piet: Mondiale Instellingen (2009)

*) UNCTAD 2010. Towards a New International Development Architecture for LDCs. UN New York and Geneva (link naar pdf-file)

*) UNDP: Illicit Financial Flows from the Least Developed Countries: 1990-2008 (Commissioned Report from Global Financial Integrity)

*) UN-DESA’s 2010:  World Economic and Social Survey 2010: Retooling Global Development. UN, NewYork (link naar pdf-file); UNCTAD 2010.

*) Witte Rang, Greetje: Thematisch Verslag van de Expertmeeting Economie & Vrede (2009)

Nieuwe Economie

Platform Duurzame en Solidaire Economie (DSE) voert op allerlei niveaus campagnes in Nederland om te bevorderen dat de economie structureel verandert in de richting van ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. Platform DSE doet dit door kennis daarover te vergaren en te verspreiden, door bijeenkomsten te organiseren, publicaties uit te brengen en netwerken op te bouwen en te ondersteunen die dat doel onderschrijven.

In haar boodschap benadrukt Platform DSE niet alleen de noodzaak en urgentie van een economische transitie, maar ook de kansen die die biedt. Het is nu nog goed mogelijk om een bewuste en gestuurde omslag te maken. Als we die kans niet benutten, zullen we door de grenzen van wat de planeet aankan hardhandig daartoe gedwongen worden.

Platform DSE heeft de laatste jaren de drukbezochte Conferentie van Tilburg georganiseerd, over onder andere de noodzaak van een andere kijk op economische groei. In december 2009 werd het ‘voorstel voor Fair & Green Deal’ uitgebracht, met inbreng en steun van mensen uit vele maatschappelijke organisaties. Rond dat voorstel werd de Alliantie Fair & Green Deal opgericht.

Voor de nabije toekomst heeft Platform DSE nieuwe bijeenkomsten, expertmeetings en publicaties gepland en wil het zijn kennisbasis versterken door economisch onderzoek te doen en internationale netwerken te benutten. Zie voor meer informatie de website www.platformdse.org

Geld in de Polder

Bij alle fraude, wanbeheer en rock and roll-management in grote maatschappelijke instellingen zijn er tot nu toe –naar mijn weten- geen polder- of waterschappen betrokken geweest. Ze zijn het toonbeeld van braafheid. Wat wel eens ontbreekt, is onderhoud aan wat vitale dijken, niet alleen rond 1953, waar ik als Zeeuw direct ervaring mee had. Ook recent nog bleek dat onderhoud soms wel eens wat lang uitgesteld wordt.

 

Dan is het wel anders met anders met de echte financiële wereld. In 1967 maakte ik daar als stagiair op de internationale afdeling van The First National Bank of Chicago (destijds een van de 10 grootste banken in de VS) voor het eerst echt kennis mee. Uit die periode heb ik drie dingen onthouden: politieke druk behoorde tot het normale repertoire. Er werd in die zelfs actief meegewerkt aan het bevorderen van een regeringswissel in een Z. Amerikaans land om een lening terug betaald te krijgen. Tweede voorbeeld, de landelijke maatregelen voor krediet beperking werden omzeild door aan het eind van de maand als de kredietverlening gemeten werd een flink aantal kredieten over te schrijven naar een Londense dochter. Het derde wat ik onthouden heb is Terry, een collega stagiaire. Ze maakte een verwoestende indruk op mij door de combinatie van schoonheid en slimheid én ze was heel leergierig.

 

Met de financiële wereld is het sinds die tijd niet veel beter geworden. Nog steeds worden regeringen met toegelaten en niet toegelaten middelen overgehaald om de zin van de bankiers uit te voeren. Nog steeds worden de grenzen van de wet opgezocht en wordt ook de ruimte daarbuiten verkend om de winstmarges op te krikken.

 

Is dan misschien de Nederlandse poldercultuur een model om een duurzame financiële wereld te organiseren / bereiken?

 

Polderen heeft in de Nederlandse arbeidsverhoudingen veel succes gekend. Het accoord van Wassenaar (in 1982 tussen vakbeweging en werkgevers) is in dit verband een historisch voorbeeld. We kwamen zoals dat destijds heette van de ‘Dutch disease’ (is niet hetzelfde als hollanditis dat ging over kruisrakettenverzet) te veel leven op en van de aardgasbaten én een hoge werkloosheid, terecht in de ‘Dutch miracle’. Jelle Visser en Anton Hemerijck publiceerden hierover een boek onder deze titel. Zij trekken 5 lessen uit de toepassing van het poldermodel:

  1. Herziening van de welvaartsstaat kan niet zonder sociale consensus.
  2. Herziening van de welvaartsstaat is risicovol, met hoge politieke risico’s. Daarom moet er licht zijn aan het einde van de tunnel, ofwel reëel uitzicht op positieve ontwikkelingen (bij het accoord van Wassenaar dus stijgende werkgelegenheid).
  3. De derde les is de les van geduld. Partijen moeten bereid zijn zich voor lange termijn aan afspraken te houden.
  4. Een vierde les leert dat tegenkrachten het eenvoudigst zijn te ontmantelen als hervormers kunnen onderhandelen met de belangen van anderen en toekomstige generaties.
  5. Corporatisme –ofwel nauw samenwerken tussen werkgevers en werknemers- is geen garantie op succes. Door het streven naar unanimiteit kan het overleg vastlopen en zelfs verworden tot een vechtende meute ‘overleg-actoren’1.

 

Deze lessen zijn nog steeds actueel en lijken in hoge mate op een aantal belangrijke uitgangspunten die van toepassing zijn bij de in de mode zijnde transitieprocessen.

Maar alvorens nu juichend de polder in te lopen eerst nog wat van de keerzijde van het polderen:

 

  • Er is sprake van gesloten circuits ons kent ons; gevestigde belangen zijn bepalend. Nieuwkomers worden geweerd.
  • De besluitvorming is van een grote stroperigheid, veel tijd vergende en gevoelige procedures.
  • De gesprekken worden uitsluitend gevoerd met veel meel in de mond. Moet je eens proberen en horen wat dat oplevert.
  • De transparantie is ver te zoeken.
  • Veel tijdelijke oplossingen worden bereikt door ze in commissies deponeren.

Tot slot:

  • Polderen leidt niet tot systeemwijzigingen. Het is eerder een bevestiging van het naoorlogse compromis over de welvaartsstaat.

 

Als we nu proberen om ons polderen geactualiseerd en verbeterd in een transitieproces toe te passen op de financiële wereld en de banken in het bijzonder dan vallen meteen een paar zaken op:

  • De bankenlobby is buitengewoon sterk en effectief
  • De internationalisering is vrijwel 100%.
  • Men probeert altijd gaten te vinden in het systeem.
  • M.a.w. als een verandering niet in het belang van het financiële systeem is, zal de verandering niet doorgaan of ten principale gefrustreerd worden.

 

Een voorwaarde voor een transitietraject is het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie. Kunt u het zich voorstellen Gerrit Zalm of Jan Hommen op weg naar duurzaamheid? Het transitietraject lijkt hiervoor niet geschikt.

 

Niet minder eenvoudig overigens zit het met de politieke macht die dergelijke veranderingen zou moeten initiëren en handhaven. De politieke macht is de laatste decennia vooral bezig geweest om ruim baan te geven aan de markt. Die ideologie waarin de heilstaat wordt omgebouwd tot heilmarkt wordt nog steeds uitgedragen. De politiek zaagt zijn eigen stoelpoten onder zich weg. Trivialisering van de politiek noemt Paul Kalma2 dit proces.

 

Laten we onze inspanningen maar richten op het ontwikkelen van eigen geld- en banksystemen. Munten die van ons zelf zijn en banken waar we iets over te zeggen hebben.

Hebben we trouwens eigenlijk wel iets te zeggen over ASN en Triodos? Zij hebben een goede koers, maar hebben wij er ook iets in te brengen? Dat is een vraag die ik hier tot slot wil deponeren.

 

Hoe het verder gegaan is met Terry? Een beschaafd iemand speculeert niet en publiek over oude liefdes. Een beschaafde cultuur zou alle vormen van speculatie moeten verbieden.

 

Dan u wel.

 

John Huige 060312

1 Ontleend aan een verslag van een seminar van de UvA: Robert Giebels, Van ‘Dutch disease’ naar ‘Dutch miracle’, Amsterdam 1997. Jelle Visser en Anton Hemerijck, Dutch miracle, Jobgrowth, welfare reform and corporatism in the Netherlands; 1997.

2 Volkskrant 030312

Naar echte en eerlijke prijzen

Voor eerlijker prijzen is de ontwikkeling van Fair Trade-producten heel belangrijk. Er is al een mooi assortiment op de markt gebracht. Maar natuurlijk moet alle handel Fair worden. Het ILO zou daar een goede rol in kunnen/moeten vervullen.

Voor de correctie naar echte, ook ecologisch betere prijzen is bijvoorbeeld de biologische landbouw belangrijk. De prijzen zijn daar nu hoger, maar als men voor de gangbare producten de milieukosten had moeten betalen, dan waren de biologische producten in verhouding goedkoper dan gangbare producten. Dat berekende het Bureau Berenschot al in een rapport in 1989. Maar in  de landbouw, en bijv. ook de energievoorziening en de vervoersector betalen de vervuilers niet. Vliegen is daarom goedkoper dan reizen per trein.

Om echte prijzen te krijgen voor alle producten zou een footprinttax uitkomst kunnen bieden. Dan betaal je een variabele belasting naar gelang het product een grote of kleine Voetafdruk heeft. Dus dan betaalt de vervuiler naar evenredigheid. Zie het artikel van Mark Huijbregts e.a. over het meten van de Voetafdrukken. Voor met meten van de onttrokken waarde aan de aarde door bedrijven is het COP-model (pdf)  (Cost of Planet) van Roland Menke interessant.

Quotering van schaarse en schadelijke producten en stoffen

Het is eerlijk en effectief om bij groeiende schaarste en schadelijkheid, het gebruik per persoon van producten en stoffen te beperken door een verdelingssysteem. Erg schadelijke producten moeten natuurlijk verboden worden.

Om de uitstoot van CO2 te beperken en eerlijk te verdelen ontwikkelde David Fleming het systeem van Klimaatdukaten, beschreven in zijn boek, dat door uitgeverij Jan van Arkel ook in het Nederlands is uitgegeven.

Een stap verder is het quoteren van het gebruik van grond en fossiele energie via een rechtvaardig verdelingssysteem van onze mondiale voetafdrukken, ontwikkeld door Bert Vink. Hij bedacht de Terra’s als gequoteerd tweede betaalmiddel. Zie de betreffende tekst.

Omdat schaarste tot (grote) conflicten kan leiden, wordt er al meer nagedacht en gewerkt aan vormen van quotering, onder anderen door de jurist Gustaaf Biezeveld, die in 2009 hoogleraar werd in Groningen. De titel van zijn oratie luidt: Onze ecologische voetafdruk – Hoe het milieurecht kan helpen die te verkleinen.

Jan Juffermans, maart 2012.

 

cursusschema Zwolle

Overzicht data, thema’s en docenten cursus FGD 2012

Datum

thema

Docenten

Zaal Windesheim

13-1 Achtergronden, denkwijze en algemene doelstellingen van de F&GD John Huige

F2.45

20-1 Economische sturingsinstrumenten Paul Metz

F2.13

27-1 Welvaart en welzijn eerlijk meten Jan Juffermans en Bart de Boer

F2.13

3-2 Werkgelegenheid, inkomens- en investeringsbeleid John Huige

F2.45

10-2 Vredesbeleid en conflictbeheersing Greetje Witte-Rang en Jan Schaake

G2.06

17-2 Hervorming van het financiële bestel Rens vanTilburg

G2.06

24-2 Bevolkingsbeleid Ward Bosmans

G2.06

2-3 Mondiale herverdeling en wereldhandel Francine Mestrum

G2.06

23-3 Mogelijke veranderingsstrategieën Christiaan Hogenhuis en Ted van Hees

G2.06

 

Versie 11-01-2012

 

close