Workshop 11

Workshop 11: Een politiek-maatschappelijke strategie voor de Fair & Green Deal. Vervolg op het ochtendprogramma

Met medewerking van Leida Reinhout, René Grotenhuis, Esther-Mirjam Sent, Jan Rotmans e.a.

Op veel plaatsen in de wereld en ook in Nederland worden mensen zich ervan bewust dat business as usual leidt tot ecologische problemen, uitputting van grondstoffen en sociale onrechtvaardigheid, nationaal en wereldwijd. Zelfs het financiële en economische systeem als zodanig staat op zijn grondvesten te schudden, wat voor veel mensen bestaansonzekerheid creëert. Aantrekkelijke alternatieven zijn beschikbaar – op het terrein van energievoorziening, voedselproductie, mobiliteit, wonen en recreatie, maar ook beloningssystemen, belastingheffing, inrichting van de zorg, internationale handel en samenwerking – maar krijgen nog onvoldoende ruimte en steun.

Dat is jammer, want onze toekomst kan er zo rooskleurig uitzien als we nu van koers veranderen en kiezen voor een eerlijke economie: een betere balans tussen werk en de tijd voor gezin, sociale relaties, inzet voor de gemeenschap, sport, hobby’s en ontspanning, met name in de spitsuren van het gezinsleven; minder stress en opgebrande en versleten mensen; een evenwichtiger verdeling van rijkdom en werk en een faire beloning daarvan; blijvend goede vooruitzichten op een welverdiende onbezorgde oude dag; meer ruimte voor ontplooiing en onderwijs om de eigen talenten te vinden en een passend en aantrekkelijk beroepsperspectief en een zinvolle levensvulling te ontwikkelen; meer ruimte voor zorg met een menswaardige kwaliteit; een gezonde omgeving en aantrekkelijke landschappen; goede voeding op basis van betrouwbare grondstoffen van een duidelijke herkomst waarmee men zich kan identificeren; ruimte voor de natuur die niet alleen noodzakelijk is voor het voortbestaan van mensen maar ons ook kan laten genieten van haar verrassende vondsten en schoonheid.

Dat de alternatieven onvoldoende kans krijgen, komt voort uit een aantal weeffouten in het geheel van economie, politiek en samenleving. In de kern gaat het erom dat er met allerlei economische instrumenten teveel wordt gestuurd op financiële waarde op zichzelf – economische groei, winstmaximalisatie, kostenbesparing, productiviteitsvergroting, loonstijging – zonder voldoende aandacht voor de natuurwaarden en menselijke bestaanswaarden waar het eigenlijk om draait. Willen we dat veranderen, dan moeten vooral andere sturingsinstrumenten ingevoerd worden: andere welvaartsindicatoren, een andere belastinggrondslag, verrekening van gezondheids- en milieuschade in de prijzen e.d. In de Fair & Green Deal zijn daarvan diverse voorbeelden gegeven. Die veranderingen kennen allemaal hun eigen specifieke problemen en weerstanden. Dat komt in verschillende workshops aan de orde.

Er zijn echter ook algemene weerstanden die ervoor zorgen dat het grote verhaal van de eerlijke economie en de Fair & Green Deal als geheel onvoldoende aandacht krijgt. Belangrijke voorbeelden daarvan zijn:

  • een neoliberale en populistische politieke hoofdstroom die bewust kiest voor business as usual

  • een algemene maatschappelijke onzekerheid die deze politieke hoofdstroom voedt

  • een onvoldoende ontwikkelde voorstelling van wat die eerlijke economie inhoudt, of deze ‘werkt’ en wat dit oplevert voor het dagelijks leven van ‘de gewone man en vrouw’, waardoor de roep om een transitie naar een eerlijke economie nog meer onzekerheid oproept

  • een tamelijk vastliggend internationaal economisch beleid (EU, WTO) dat in grote trekken de neoliberale lijn ondersteunt of versterkt

  • machtige belangengroepen die dit bestendigen.

Voortbordurend op de inzet van de sprekers in het plenaire deel in de ochtend willen we in deze workshop proberen op deze algemene weerstanden meer greep te krijgen, te verkennen welke mogelijkheden er zijn ze te doorbreken en daarvoor een routeplan te ontwerpen.

(Dezelfde tekst als pdf-file)

Workshop 10

Workshop 10: Burgers betrekken in een F&GD; voedselvoorziening van globaal naar lokaal

Leiding: Hans Berkhuizen (Milieudefensie). Met Sjef Staps (Louis Bolk Instituut), Dannie Brus (NIVON) e.a.

Het realiseren van een alternatieve, eerlijke en groene economie is een verandering die zich onder meer op macroschaal afspeelt. Die verandering kan echter niet zonder steun van onderaf. Dat kan verder gaan dan alleen simpele steunverklaringen of alternatieve individuele consumptiekeuzen. Burgers en lokale organisaties en bedrijven kunnen ook regionaal alternatieve economieën opbouwen.

Er zijn verschillende initiatieven waarin burgers en lokale ondernemers nieuwe verbindingen aangaan binnen alternatieve, lokale of regionale economische structuren. Voorbeelden van deze lokalisering of regionalisering zijn: Community Supported Agriculture, Transition Towns, alternatieve, lokale geldsystemen en regionale energie-opwekking. Dergelijke initiatieven onttrekken zich tot op zekere hoogte aan de druk van geglobaliseerde economische structuren. Daardoor kan een duidelijker keuze worden gemaakt voor kwaliteit, duurzaamheid en rechtvaardigheid. En misschien nog wel belangrijker:  er ontstaat zo weer een directere verbinding tussen land, producent en consument (of “aarde, boer en consument”). Dat kan de betrokkenheid en het gevoel van zinvolle autonomie, controle over het bestaan, zekerheid en identiteit (waarschijnlijk) ten goede komen. Het draagt eraan bij dat de economie weer dienstbaar wordt aan mensen (en hun zorg voor elkaar en de natuur) in plaats van dat mens en natuur dienstbaar zijn aan de economie.

De werkgroep Globaal-lokaal van de Alliantie Fair & Green Deal wil daarom in het kader van het betrekken van burgers bij de omslag naar een groene en eerlijke economie werken aan de mogelijkheid van het opzetten van dergelijke regionale economieën, met een focus op voedselvoorziening en daaraan gekoppelde energievoorziening (bijvoorbeeld biomassa-afvalstromen, zon en wind op het boerenbedrijf e.d.).

Het doel is voorlopig geformuleerd als: in 2020 loopt in 20 regio’s in Nederland 20% van de voedsel- en energievoorziening via lokale kanalen, in de vorm van coöperaties waarin burgers als financier (al of niet risicodragend) meedoen, zonder tussenkomst van multinationale banken of dito detailhandel en tegen een faire prijs.

Partijen die daarbij betrokken kunnen worden zijn bijvoorbeeld:
•    voorbeelden van CSA
•    Transition Towns
•    ZLTO
•    Agro&Co Brabant
•    Taskforce Multifunctionele Landbouw
•    restaurants als KAS (Amsterdam) en Sober (Amersfoort)
•    een regiomarkt als Marqt
•    Eneco
•    Platform Duurzame Gebiedsontwikkeling (initiatief van Urgenda)
•    voorbeelden van alternatieve geldsystemen
•    de (RABO) streekrekening
•    lokale groepen van Milieudefensie
•    lokale afdelingen van NIVON
•    lokale kerken

Het doel van de workshop tijdens de conferentie is het vaststellen van een routeplan (in aanzet) voor de realisatie van het genoemde doel. Daarvoor worden vertegenwoordigers van de genoemde partijen uitgenodigd deel te nemen aan de workshop. Uiteraard zijn andere geïnteresseerden welkom.

In de voorbereiding worden de keuzen, die kunnen worden gemaakt met een aantal potentieel betrokken  partijen voorbereid, zodat een concreet routeplan kan worden opgeleverd dat na de conferentie in uitvoering kan worden genomen.

(dezelfde tekst als pdf-file)

workshop 9

Concept versie

Workshop 9: Hoe ontgroeien we de groeiverslaving? Een communicatiestrategie voor de F&GD

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

Leiding: John Huige en Dennis van den Berg

Achtergrond

De overgang van de huidige naar een echt duurzame economie in de rijke consumptielanden zal gepaard gaan met een grote achteruitgang van de materiële consumptie ten faveure van een grotere immateriële consumptie en een gemengde groei in ontwikkelingslanden. De systematische negatie van deze boodschap (door mensen die het wel weten) is reden voor openlijke verwondering en soms ook boosheid. We willen in deze workshop nagaan hoe we ‘degrowth’ op de politieke / maatschappelijke agenda kunnen krijgen zonder de gebruikelijke schrikreacties die hierbij horen.

  1. Op grond van alle bekende ‘aanwijzingen’ – voetafdruk, klimaatwijziging, vermindering biodiversiteit, opraken grondstoffen, groeiende mondiale ongelijkheid, degradatie landbouwgrond, vervuiling, groei- en consumptieverslaving, en nog veel meer – is het noodzakelijk om met enige urgentie strategieën te ontwikkelen die reëel perspectief bieden op een sociaal houdbare en ecologisch duurzame wereld. In onze ogen zijn er een aantal groeipaden te formuleren die in deze situatie mogelijk zijn:

    1. We gaan door in een ‘race to the bottom’ en zien wel waar het schip strandt –inclusief het gevaar van majeure internationale conflicten.

    2. We ontwerpen een strategie waarin de armsten der aarde op een sociaal aanvaardbaar niveau komen, waarin de groei in de rijke landen niet verder mogelijk is en zelfs iets achteruit gaat.

    3. We formuleren een strategie waarin sprake is van een gemiddeld aanvaardbare milieugebruiksruimte van elke wereldburger. Deze ruimte is maatgevend voor te nemen maatregelen per land / regio.

  2. De keuze voor strategie b en veel meer nog voor strategie c vergt een forse teruggang van het traditionele BBP. In termen van een nieuwe duurzame en sociale economie hoeft het breed geformuleerde welvaartsniveau zelf niet minder te worden. Maar zo een economie is solidair (ook internationaal) en gedematerialiseerd. Voor de te nemen maatregelen in deze richting is een hele serie maatregelen nu al uitgedacht en onmiddellijk toe te passen. Als deze alternatieven worden toegepast is het maatschappelijk kader wel van belang, want het gaat om een aantal maatregelen die bij elkaar voldoende zijn in de richting van een ‘degrowth’ samenleving. Dat vergt niet minder dan een echte mobilisatie. Wij denken dat het geven van een opsomming van ‘laaghangend fruit’ in een hoopgevende lijst gezet een politiserende werking kan hebben. We denken voorts dat er al veel studie gedaan is om de economie in een ander –‘degrowth’- paradigma te plaatsen en dat hiervan ook een lijst gemaakt kan worden die het nieuwe debat kan inspireren.

  3. De ‘roadmap’ die we op grond van bovenstaande uitgangspunten / beschouwing kunnen uitwerken kent een aantal kenmerken:

    1. Het is belangrijk om ‘degrowth’ als thema te agenderen, want: “De strategie van zelfmisleiding heeft zijn grenzen bereikt”: Tim Jackson

    2. Wat is er nodig voor de noodzakelijke mobilisatie? Hoe krijgen we draagvlak voor de ‘noodzaak’ van deze richting.

    3. Dus onze alternatieven moeten beter, goed onderbouwd en aantrekkelijk zijn Tony Judt: …“it must be sufficiently better to make up for the evils of the transition”.

  4. Vragen bij de roadmap voor ‘degrowth’:

    1. Hoe ontwerpen we een aantal stappen om dit op de agenda te zetten?

    2. Hoe ontwerpen we een effectieve communicatie over ‘degrowth’?

    3. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze boodschap positief is in de vooruitzichten voor: Duurzaamheid, Grotere inkomenszekerheid en minder ongelijkheid. Positief is in de toename van de immateriële welvaart.

  5. De doelgroep voor deze boodschap bestaat in eerste instantie uit kaderleden politieke partijen, vakbeweging, leden NGO’s en media.

De inrichting van de workshop:

  • Een korte inleiding in de thematiek. Bedoeld om de aanwezigen in de workshop een gelijk referentiekader aan te bieden aan de aanwezigen. Inzet is niet de bespreking van de noodzaak voor degrowth maar veel meer de vraag hoe we degrowth kunnen organiseren / agenderen. Daarvoor presenteren we 10 talking points. 10 korte goed communiceerbare zinnen waarin de hoofdargumenten en noodzakelijke stappen voor degrowth worden gegeven. Te vergelijken met oneliners van politici, maar wel op inhoud gebaseerd.

  • In meerdere kleine subgroepen – ingedeeld naar doelgroepen – worden een of twee van de talking points opgepakt met de opgave hier een korte krachtige overtuigende pitch van te maken. Doelgroepen zie boven. Nadruk bij de pitch op agenderen, hoe kun je organisaties / personen leren een elegante draai te maken (van onduurzaam > duurzaam)

  • Plenair brengen van de pitches, bespreken van hun effectiviteit en kansen van de agendering en de stappen met de termijnen die genoemd worden.

  • We willen proberen tijdens de workshop al een bijeenkomst te melden voor een vervolg van de discussie.

Tien ‘talking points’; ongemakkelijke feitjes en blijde vooruitzichten:

  1. In 2030 hebben bij het huidige groeitempo twee werelden nodig om onze consumptieve behoeftes te dekken. Living Planet Report 2010. Als we er niet in slagen om binnen 10 jaar een serieuze transitie op gang te hebben naar een sociaal-ecologische economie (SEE) wordt het oorlog.

  2. Onze vrijheid van materiële bestedingen moet sterk achteruit. Een teruggang met een factor 4 zou weer meer evenwicht kunnen brengen in de belastbaarheid van de aarde. Voor ontwikkelingslanden is nog wel materiële groei nodig en mogelijk.

  3. Cognitieve dissonantie is een psychologisch begrip dat aangeeft dat mensen kennis kunnen hebben van situaties of feiten, maar die niet leiden tot een aanpassing van hun gedrag. Hoe kunnen we de spanning daarover verhogen en positief aanwenden voor gedragsverandering richting SEE.

  4. De huidige neoliberale markteconomieën zijn ingericht op basis van winstmaximalisatie en externalisering van zoveel mogelijk (milieu)kosten (opraken grondstoffen, CO2-belasting, vervuiling, ongelijkheid inkomen en vermogen). Willen we een marktsysteem behouden?

  5. Prijsbeleid, financieringsbeleid en inkomensbeleid zullen aan strenge regels onderworpen moeten worden. Willen we daarvoor onze ‘vrijheid’ opofferen?

  6. In SEE kan er sprake zijn van werkelijke internationale solidariteit. Geen uitbuiting meer via goedkope arbeid of grondstoffen, maar reële prijzen en ruimte voor eigen ontwikkeling.

  7. In SEE is het octrooirecht afgeschaft, waardoor de nodeloze en milieuonvriendelijke vernieuwingsdrang kan verdwijnen.

  8. In SEE is er de zekerheid van een basisinkomen en het werkbegrip is verruimd naar alle soorten arbeid.

  9. In SEE is er meer betrokkenheid van mensen bij lokale problemen.

  10. In SEE is internationale ruil niet meer dominant, maar is de regionale economie de leidende economische kracht.

(dezelfde tekst als pdf-file)

Factsheet

Powerpoint

Workshop 8

Workshop 8: Fair en Green economieonderwijs, van voortgezet onderwijs tot universiteit.

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

De wereld staat voor een gigantisch uitdaging. We worden niet alleen geconfronteerd met een financiële crisis, maar ook met een voedsel-, water-, energie- en klimaatcrisis. Er ontvouwen zich twee scenario’s. Of we gaan op dezelfde voet door richting de rand van de afrond, of het lukt ons om tijdig een andere weg in te slaan richting een duurzame samenleving. Onderwijs (op elk niveau) speelt bij het bereiken van een duurzame samenleving een cruciale rol. Het bereiken van een duurzame samenleving vereist immers een andere denkwijze dan de huidige. Of zoals Albert Einstein (1879 – 1955) ooit zei: “Je kunt een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt.” En verandering begint met onderwijs en bewustwording.

Doel van deze workshop is het ontwikkelen van een routeplan (roadmap) voor eerlijk en groen economieonderwijs. Welke concrete stappen moeten gezet worden om het beoogde doel te bereiken? Welke kansen liggen er en welke belemmeringen? En welke organisaties willen meewerken om het routeplan voor duurzaam economieonderwijs verder uit te werken en uit te voeren?

De workshop vindt plaats binnen het kader van de conferentie ‘Routeplan voor een eerlijke economie’. De contouren van die gewenste economie werden eerder geschetst in  het voorstel voor ‘Een Fair & Green Deal’. Rond dat voorstel is een alliantie ontstaan van organisaties. (zie http://www.alliantiefairgreendeal.org)

De inleiding wordt verzorgd door em. prof. dr. Arnold Heertje. Volgens Heertje hebben economen de economische wetenschap verschraald en gedehumaniseerd door economische beschouwingen te herleiden tot financiële calculaties van baten en kosten. We moeten weg van dit eng, monetair geformuleerde welvaartsbegrip en de eenzijdige focus op geld en winstmaximalisatie, dat ons in de huidige kredietcrisis heeft gestort. Als we volgens Heertje iets kunnen leren van deze crisis is het dat de oplossing ligt in investeren in duurzaamheid en menselijkheid. Heertje ziet de crisis als kans voor een duurzame en menswaardige economie. Een economie waarin de mens weer centraal komt te staan en niet het korte termijn gewin of de monetaire winst. Economie draait niet (alleen) om geld, maar om de behoeftebevrediging van de mens nu, van de mens straks, waar ook ter wereld. Dat zijn ook behoeften die zich niet in geld laten uitdrukken, zoals de behoeften aan natuur, schone lucht, stilte, gezondheid, leefbaarheid etc. Een gezond leefklimaat voor U en uw kinderen maakt evenzeer deel uit van uw welvaart. Echte economie behelst daarom een breder, humaner welvaartsbegrip. Dit bredere welvaartbegrip laat ons beseffen dat duurzaamheid ook een eerste levensbehoeften is van de bevolking. Want duurzaamheid heeft uiteindelijk alles te maken met welvaart van mensen nu, en mensen strak, waar ook ter wereld.

De stelling van em. prof. Arnold Heertje luidt: ‘Op elke universiteit/economische faculteit moet welvaarttheorie gedoceerd worden’.

Iedereen die mee wil denken over duurzaam economieonderwijs is welkom!

(De workshop duurzaam economieonderwijs wordt georganiseerd in samenwerking met het Centrum voor Wetenschap en Levensbeschouwing van de Universiteit van Tilburg.)

(dezelfde tekst als pdf-file)

Workshop 7

Workshop 7: Internationale voedselzekerheid en landbouw

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

Met medewerking van Duncan Pruett (Oxfam Novib), Keimpe van der Heide (Nederlandse Akkerbouw Vakbond en Platform Aarde Boer Consument), Guus Geurts (XminY en Platform ABC), voorzitter: Klaas Breunissen (Milieudefensie)

‘Op weg naar een duurzame en solidaire voedselvoorziening’

In deze workshop wordt allereerst door verschillende sprekers de huidige situatie geanalyseerd binnen de Europese en mondiale voedselvoorziening. Dan wordt duidelijk dat het vrijhandelsbeleid van de afgelopen decennia is vastgelopen. Boeren in Noord en Zuid raken hun markten kwijt en krijgen geen eerlijke prijzen voor hun producten. Ook gaan de steeds schaarser wordende natuurlijke hulpbronnen naar de hoogste bieder, waardoor grootschalige exportproductie van veevoer en biobrandstoffen prioriteit krijgt boven landrechten en voedselzekerheid.

Ook worden er verbanden gelegd met de klimaat-, energie- en mineralencrises. Daarna worden alternatieven en strategieën gepresenteerd en besproken met het publiek. Leidende begrippen hierbij zijn voedselsoevereiniteit en regionalisering. Zo zijn er zowel drastische beleidswijzigingen nodig in het Europese landbouwbeleid

na 2013 als binnen de WTO en andere vrijhandelsverdragen. Ook wordt besproken hoe er bruggen geslagen kunnen worden tussen boerenorganisaties, maatschappelijke organisaties, bedrijven én een groeiende groep van burgers die actief zijn binnen de lokale voedselvoorziening (in de stad).

(Dezelfde tekst als pdf-file)

Bijlage: Beleidsvisie (pdf)

Workshop 6

Workshop 6: Vredeseconomie en conflictpreventie op de politieke agenda

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

Leiding Jan Schaake (Kerk & Vrede); notulist: Greetje Witte-Rang (Platform DSE); medewerkenden: Kees Nieuwerth (Quakers), Mark Akkerman (Stop de Wapenhandel), Peter Polder (PeakOil Nederland) e.a.)]

“Wereldwijd zijn in de 21ste eeuw vier keer zoveel oorlogen door onderhandelingen beëindigd dan door een militaire overwinning. Toch stegen de militaire uitgaven met 45% over de afgelopen 10 jaar, terwijl slechts kleine bedragen werden besteed aan het voorkomen van oorlog.

Experts verwachten een toename van gewelddadige conflicten vanwege snel groeiende ongelijkheid, klimaatverandering en de toenemende uitputting van bestaansmiddelen en grondstoffen zoals landbouwgronden, water en olie. Maar als het conflict escaleert en gewelddadig wordt raken deze oorzaken uit het zicht en worden ook niet opgelost. De grondoorzaken zullen aan de orde gesteld moeten worden binnen duurzame structuren die het conflict transformeren. Anders steekt het conflict domweg de kop weer op bij verkiezingen of andere gelegenheden.” (Introductie van de Global Peace Building Strategy - From violent conflict to systematic peace, October 2010)

Korte algemene situatieschets

Het bovenstaande citaat beschrijft de hedendaagse ontwikkelingen op het gebied van vrede en veiligheid kort en bondig. Waar het westen steeds meer de ongelijkheid tussen noord en zuid laat groeien, ontstaan zowel ressentiment tegen als verlangen naar het rijke westen, zich vertalend in aanslagen op westerse doelen respectievelijk een groeiende migratiestroom naar het westen hetgeen op zijn beurt weer leidt tot extreme veiligheidsmaatregelen en een toenemende militarisering van de grensbewaking.

Er wordt gewaarschuwd voor klimaatoorlogen ten gevolge van een sterk veranderende geografie. Woestijnvorming en zeespiegelstijging maken landbouwgronden onbruikbaar, wat zal leiden tot lokale en regionale conflicten om water en land; toch al instabiele landen kunnen erdoor im- of exploderen. Een binnenkort goed bevaarbare Noordelijke IJszee zal leiden tot mondiale spanningen over vaarroutes en bereikbaar geworden grondstoffen- en energievoorraden. Extreme brandstoffenprijzen zullen tot steeds meer sociale onrust leiden.We zien nu al toenemende spanningen om grondstoffen- en energievoorraden en om de transportroutes, lokaal, regionaal en mondiaal. Oplopende spanningen binnen en tussen tal van Afrikaanse landen waar grondstoffen gewonnen en getransporteerd worden; naast de reeds bestaande soms gespannen verhoudingen tussen leveranciers en afnemers (Midden-Oosten versus het Westen; Rusland versus Oost- en Midden-Europese landen) nieuwe spannende verhoudingen tussen reeds bestaande afnemers en nieuwe spelers op die markt, met name China dat voet aan de grond wil krijgen in Afrika en Centraal-Azië.

Al deze conflicten gaan inmiddels gepaard met militaire machtsvertoon in de meest strategische regio’s. De Indische Oceaan, als verbinding tussen het grondstoffenrijke Afrika, de Arabische wereld, India en China, zou wel eens het strijdtoneel van de 21ste eeuw kunnen worden. Nu al vormt de anti-piraterijvloot rond Somalië de één na belangrijkste NAVO-operatie (na Afghanistan) en behelst ze de grootste Nederlandse legerinzet op dit moment. De afgelopen vijf jaar is de term “energievoorzieningszekerheid” vanuit de louter economische beleidsnota’s terechtgekomen in nationale, Europese en NAVO-veiligheidsdoctrines en wordt openlijk gerept van militaire beveiliging van transportroutes over zee (zoals die rond Somalië) en over land (rond de lange continentale olie- en gaspijpleidingen).

Deze oplopende spanningen en de keuze voor een militaire aanpak leiden wereldwijd tot een intensivering van de miljardenverslindende wapenproductie en wapenhandel.

Armoede wordt steeds meer van de Westerse politieke agenda geschoven, terwijl dat toch dé plaats is waar de structurele oplossingen voor economische onrechtvaardigheid vorm zullen moeten krijgen. De Nederlandse regering krimpt het budget voor ontwikkelingssamenwerking met tenminste 12,5% in, maar geeft het thema “fragiele staten en veiligheid” er alvast structureel 9 miljoen bij: het symptoom (met militaire middelen) en niet de onderliggende oorzaak (met ontwikkelingseconomische middelen) wordt aangepakt.

De werkgroep Vredeseconomie en conflictpreventie van de Alliantie Fair & Green Deal beoogt met de workshop een bijdrage te leveren aan het wegnemen van conflictpotentieel met als einddoel:

van competitie naar coöperatie rond brand- en grondstoffen. De geschetste vredesbedreigende ontwikkelingen kunnen we een halt toeroepen als we een strategie ontwikkelen die niet zozeer gericht is op onderlinge concurrentie maar op het stimuleren van wederzijdse afhankelijkheid en samenwerking. Tijdens deze workshop zullen we deze aanpak nader toepassen op één type conflict, namelijk de olie- en gasconflicten tussen verschillende EU-lidstaten, Rusland en andere voormalige Sovjetrepublieken.

Veiligheid en energievoorziening in Europa

We leven nog steeds in een verdeeld Europa, en daarbij speelt de energiepolitiek een centrale rol. Al verschillende keren speelde Rusland de ‘energie-kaart’ uit om het beleid van buurlanden te beïnvloeden. Ruim 80% van het door de lidstaten van de EU geïmporteerde gas komt nu uit met name drie landen: Noorwegen, Algerije en Rusland. Daarvan neemt alleen Rusland thans meer dan 40% voor zijn rekening.

De lidstaten van de Europese Unie in hun honger naar energie proberen de afhankelijkheid van Russisch aardgas te verminderen door onder meer een gigantische pijpleiding te plannen die gas uit Turkmenistan via Turkije naar Europa kan laten stromen,de zogenoemde Nabucco pijplijn, parallel aan bestaande Russische leidingen, dus louter om de afhankelijkheid van Rusland te verminderen. Voorts zijn er zelfs plannen om een pijplijn dwars door de Sahara aan te leggen waardoor gas uit Nigeria naar Europa kan stromen! De aanleg en het beheer (beveiliging!) van die pijpleidingen vergt miljarden investeringen!

De vraag bij dit alles is natuurlijk: is dit werkelijk nodig? Kunnen we dat geld niet betere besteden, bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van een ander energie- en veiligheidsbeleid?

De NAVO heeft een breed opgevat begrip ‘veiligheid’ steeds verder gemilitariseerd.

De Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en – in beginsel ook de Europese Unie – benaderden veiligheid vanuit een veel breder perspectief, zodat vredesopbouw, het respecteren en ontwikkelen van mensenrechten, het stimuleren van democratische processen en het rechtvaardig delen van natuurlijke hulpbronnen daarvan integraal deel uitmaakten. Een mogelijk alternatief voor deze ontwikkeling is daarom nog steeds het oorspronkelijke model van de VN, EU en de OVSE: samenwerking om gedeelde veiligheid, gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde hulpbronnen te ontwikkelen. De Europese Gemeenschap zou zichzelf opnieuw moeten uitvinden. We kunnen daarbij teruggrijpen op het oorspronkelijke concept van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die destijds hielp om te voorkomen dat grondstoffen werden gemonopoliseerd en (opnieuw) ingezet als instrument bij een gewapend conflict.

Recent dringt Rusland aan op meer samenwerking bij het oppakken van de grote uitdagingen van deze tijd: energieschaarste, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Rusland is daarbij wellicht ook bereid tot nieuwe vormen van samenwerking gebaseerd op de OVSE en het verdrag van Helsinki uit 1975. Het oude Europa wordt hierbij uitgedaagd minder aan de leiband van de Verenigde Staten te lopen.

In plaats van allerlei bilaterale samenwerkingsvormen op energiegebied zouden we gezamenlijk de EEG een nieuwe inhoud kunnen geven door – als Europese Unie- met het door Rusland en haar nabuurlanden geïnitieerde Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) en zelfs alle Centraal-Aziatische staten (Turkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Azerbeidzjan) een nieuw multilateraal samenwerkingsverband te beginnen: een Euraziatische Energie Gemeenschap (EEG!). Doel van deze pan-Europese energiegemeenschap zou tweeledig zijn. Enerzijds het delen en beheren van de schaarser wordende fossiele energiebronnen, anderzijds het gezamenlijk ontwikkelen van de voor een duurzame toekomst benodigde alternatieve energiedragers.

Als we in dat verband dan de geroemde ‘soft power’ van de EU inzetten om de vrijheid, democratische- en mensenrechten tot hoeksteen van het beleid in een steeds grote wordende politiek unie te maken, kan het proces dat zich in het Oude Europa voltrok zich op grotere schaal herhalen en de weg kunnen banen voor Rusland en sommige van haar bondgenoten om vervolgens lid te worden van een inmiddels gemoderniseerde EU. Dan kunnen we eindelijk ook de EU en de Raad van Europa integreren. Eindelijk het ‘Gemeenschappelijk Europees Huis’ zoals Gorbatsjov het eind jaren tachtig, begin negentiger noemde.

Wat de vredesbeweging te doen staat is om samen met de ontwikkelings- en milieubeweging:

  1. De dominante militaire aanpak van toenemende spanningen te bekritiseren;

  2. Met ontwikkelings- en duurzaamheidorganisaties te kijken naar de werkelijke oorzaken;

  3. Strategieën en modellen voor te stellen om deze werkelijke oorzaken gezamenlijk aan te pakken, rekening houdend met ieders deelbelangen. Vrede als de politiek van het samenwerken.

Stappen op weg naar dat einddoel

  • Een samenwerkingsovereenkomst rond beheer en ontwikkeling van fossiele en duurzame energie tussen de EU, Rusland en de voormalige Sovjet-republieken.

  • Het in leveringscontracten opnemen van de verplichting zich aan te sluiten bij de Extractive Industries Transparency Initiative (EITI) en het in acht nemen van gedragscodes voor multinationals.

  • Het vervolgens integreren alle betrokken staten in de uiteindelijk gezamenlijk te vormen Euraziatische Energie Gemeenschap.

Tijdens de workshop zal een concept-routeplan voor dit onderwerp besproken en uitgewerkt worden, en gepoogd worden voor de uitwerking van dat plan medestanders te vinden.

Onderdeel van het routeplan is in ieder geval:

* in 2011 informatievergaring en –verspreiding, door het opstellen van drie papers en het bespreken daarvan op drie conferenties; het opzetten van een webbased campagne (hiervoor is reeds een projectvoorstel in ontwikkeling, als samenwerkingsverband van de organisatoren van de workshop).

(dezelfde tekst als pdf-file)

————–

Bijlages (klik op de titels):

concept roadmap voor workshop 6

Energie en Conflict in Europa

Putting the Bundeswehr Report in Context

Energie- en grondstoffenconflicten

Grond- en brandstof of conflictstof: van conflict naar coöperatie.



Workshop 4

Internationale (belasting op) kapitaalstromen t.b.v. mondiale bestaanszekerheid (leiding Koos de Bruijn (Jubilee/TaxJustice) en Burghard Ilge (BothENDS), met Ted van Hees (Oxfam Novib) (Alliantiewerkgroep 3 en 4; journalist van Onze Wereld)

Introductie:

Ondanks de beeldvorming dat het in de ontwikkelingsdiscussie over een geldstroom van het globale Noorden naar Zuiden gaat is de realiteit dat jaarlijks per saldo miljarden dollars meer van ontwikkelingslanden naar rijke landen dan omgekeerd. Deze geldstroom bestaat grofweg uit twee delen. Enerzijds wordt kapitaal onttrokken door private personen en bedrijven. Bijvoorbeeld door het wegvloeien van winsten, mede door belastingontduiking en -ontwijking door internationale bedrijven (TNCs) en via belastingparadijzen, maar ook door kapitaalvlucht. Anderzijds vloeit kapitaal weg door aflossing van schulden uit het verleden aan commerciële en publieke (nationale en multinationale) crediteuren.
Volgens cijfers van Eurodad stond in 2008 tegenover deze uitstroom van totaat 1205 miljard dollar, slechts 857 miljard euro aan instroom (investeringen, ontwikkelingssamenwerking, overboekingen door migranten, nieuwe leningen, etc)

Daarnaast heeft de grilligheid van mondiale kapitaalmarkten grote gevolgen in ontwikkelingslanden.  Dat geldt zowel voor speculatie met grondstoffen en voedsel als met allerlei financiële producten. Tegelijkertijd zou een passende heffing van internationale belastingen enerzijds een dempende werking kunnen hebben op de meest negatieve van deze producten, zoals derivaten (afgeleide financiële producten) en anderzijds honderden miljarden kunnen opleveren voor binnenlandse financiering (alternatief voor bezuinigingen) en die van mondiale publieke goederen (klimaat, MDGs)
In het kort kan worden gesteld dat deze kapitaalstroom duurzame ontwikkeling in het Zuiden in de weg staat. Daarnaast staat de status quo een eerlijke kans voor het Zuiden in de weg.

Als onderdeel van een Fair Green Deal is aanpak van deze mondiale kapitaalstroom daarom onontbeerlijk. In deze workshop werken we twee concrete voorstellen tot hervormingen van het internationale financiële systeem verder uit. Een is gericht op het oplossen van internationale schuldproblemen de ander op de inzet van belastingmaatregelen om onduurzame gedrag van financiële markten te ontmoedigen en nieuwe financiële middelen te genereren.

Probleemstelling schulden

Ondanks de schuldverlichtingsinitiatieven van de afgelopen twintig jaren blijft de schuldenproblematiek zich manifesteren. In het verleden voornamelijk in ontwikkelingslanden, heden ten dage manifesteren schuldproblemen zich echter ook in ontwikkelde landen. Zie bijvoorbeeld Griekenland en Ierland. Dat maakt het ontbreken van een structurele en vooral eerlijke oplossing voor de schuldproblemen extra zichtbaar.

Zoals nu ook in Europa duidelijk wordt met de verstrekking van nieuwe leningen, worden problemen niet opgelost, maar vooral vooruitgeschoven. Er is een structurele en eerlijke oplossing van schuldproblemen nodig die onafhankelijk is van de betrokken partijen en die rekening houdt met de verantwoordelijkheden van zowel de leners als de geldverstrekkers. Dit kan door middel van de instelling van een zogenaamd Debt Court, of schuldenrechtbank.

Probleemstelling belastingen

Na de Mexicaanse peso crisis in 1994, de Asian Financial Crisis in 1997 en minder dan 10 jaar na de dot-com bubble van 2000 heeft de huidige financiële crises ook de landen bereikt die in het verleden het meest van de deregulering en integratie van de internationale financiële markten hebben profiteerd. Naast de vraag hoe een financiële crisis in de toekomst het best voorkomen kan worden is het zaak te zorgen dat de financiële sector een eerlijke bijdrage levert aan economisch herstel en ontwikkeling, daar de aanzienlijke kosten en gevolgen van de financiële crisis tot dusverre gedragen worden door de werkelijke economie, belastingbetalers, consumenten, overheidsdiensten en de samenleving in het algemeen.
De door de crisis veroorzaakten financiële tekorten dreigen nu met name ten koste te gaan van investeringen die nodig zijn voor een transitie naar een duurzame economie. Zij het de middelen die nodig zullen zijn om adequate te regeren op de dreigingen van klimaat verandering of het halen van de millenniumdoelen

Het voorstel

In 2015 is een onafhankelijke rechtbank voor het oplossen van internationale schuldproblemen realiteit. Landen zijn niet meer overgeleverd aan de grillen van de financiële markten en aan de wil van crediteuren op het moment dat zij – om welke reden dan ook – in betalingsproblemen komen. Nu wordt door een onafhankelijke partij bepaald welke schuldenlast draaglijk is, welke schulden terecht zijn en of op een deel van de schulden afgeschreven moet worden.

Daarnaast is 2012 sprake van een belasting op financiële transacties. Door gericht te zijn op bepaalde soorten „ongewenste” transacties woorden deze onaantrekkelijk en zullen dus minder plaatsvinden. Daarmee zorgt deze belasting voor een stabieler financieel systeem.
Tegelijkertijd brengt de belasting geld op dat kan worden aangewend voor ontwikkelings- en klimaataanpassingsdoeleinden.

In de workshop zal uitgewerkt worden hoe beide maatregelen stap voor stap ingevoerd kunnen en moeten worden.

(dezelfde tekst als pdf-file)

———————-

Bijlages (klik op de titels):

ETUI paper (pdf)

Eurodad Debt Workout Principles (pdf)

Starre schuldeisers verdiepen crisis (pdf)

Debt crisis studie 2010 (pdf)

Getting into Debt (pdf)


Workshop 2: Nederland met nieuwe energie


(Tekst komt nog)

Werkgroep 5

Werkgroep 5: Een Fair&Green Macro Economische Verkenning (MEV+)

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2011

Met medewerking van Bart de Boer (PDSE), Jan Juffermans (PDSE), Lou Keune (PDSE), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU Tweede Kamer), een vertegenwoordiger van het Wereldnatuurfonds (gevraagd), en diverse anderen.

Doelomschrijving

De omslag van de economie naar een duurzaam en eerlijk alternatief komt neer op een ingrijpende gedaante­verandering van de wereldeconomie, en daarmee op een fundamentele verandering van het gedrag van overheden, consumenten en producenten, wereldwijd.

Daarvoor is het van cruciaal belang dat voor al deze groeperingen duidelijke en eerlijke informatie beschikbaar komt over de gevolgen van de economische ontwikkeling voor mens en milieu (ook internationaal) én over de mogelijkheden om de economie duurzaam en solidair te maken. In Nederland wordt jaarlijks door het Centraal Planbureau (CPB) de Macro Economische Verkenning (MEV) gepubliceerd, als onderbouwing van de jaarlijkse begroting van de regering. Het Deelrapport geeft een beschrijving en analyse van de Nederlandse economie, het probeert helder te maken hoe “wij” er economisch voorstaan. Centraal in het rapport staat de ontwikkeling van de productiegroei, doorgaans economische groei genoemd. Deze wordt gemeten aan de hand van de indicator Bruto Binnenlands Product – BBP. Op de dominantie van deze indicator en van het daaraan gekoppelde groeidenken in de politiek is al sinds decennia veel kritiek, ook vanuit het Platform DSE, bijvoorbeeld in onze petitie van 2006 gericht aan de Tweede Kamer en de regering. Want in diverse opzichten geeft het BBP een verkeerd beeld van de economie en van de groei daarvan, waardoor de noodzaak en de urgentie van de overgang naar een duurzame en solidaire economie onderbelicht blijft.

Ons voorstel is om aan alternatieve economische indicatoren in de MEV een plek te geven die minstens gelijkwaardig is aan het BBP. Dat wil dan zeggen dat bij de beschrijving en analyse van de verschillende economische activiteiten niet alleen gekeken wordt naar het BBP maar ook naar andere economische indicatoren. En daarbij denken wij met name aan de Index of Sustainable Economic Welfare – ISEW, de Ecologische Voetafdruk – EV, en het Duurzaam Nationaal Inkomen – DNI. Daarnaast dat in de MEV relaties gelegd worden met de ontwikkeling van variabelen uit andere maatschappelijke domeinen die strategische betekenis hebben voor het zicht op de gevolgen en perspectieven van de economie. Wij denken hierbij aan, bijvoorbeeld, de (Nederlandse) Leefsituatie Index, de (mondiale) Living Planet Index en de indicatoren ontwikkeld door het UNDP op gebieden van mondiale inkomensarmoede en –ongelijkheid en het welzijn.

We stellen voor bovenstaande in Nederland te gaan doen, dus daar willen we een routeplan voor maken. Wij zien dit als een begin. Want ook op Europees en VN-niveau zou op vergelijkbare manier over de economische ontwikkeling verslag moeten worden gedaan, zodat een goede vergelijking tussen landen mogelijk wordt en er van zowel goede als slechte voorbeelden geleerd kan worden. De wijze van economische verslaglegging zou bij uitstek ook een onderwerp moeten zijn op de mondiale conferentie ‘RIO + 20’, die in 2012 in Rio de Janeiro wordt gehouden, 20 jaar na de eerste VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling. Nederland zou dat op de internationale fora moeten bepleiten.

Mogelijk routeplan

1e en 2e jaar: op de agenda zetten

Dit lukt alleen als we met een (bijgesteld) voorstel voor de MEV+ komen, met name wat betreft

  • de op te nemen indicatoren voor (on)duurzaamheid en (in)solidariteit

  • hun samenhang

  • de opzet van de jaarlijkse rapportage over genomen technische, bestuurlijke en economische maatregelen

  • de mogelijke jaarlijkse aanbevelingen.

Een strategie voor de benadering van externe partijen is ook nodig.

Met dit gereedschap de MEV+ vervolgens op de agenda zetten van:

  • alle Alliantiepartners: 1e jaar

  • I&M, ELI, SZW, SCP, PBL, CBS, CPB, MVO-praktiserende en -voornemende bedrijven: 1e en voor de overheidsinstellingen wellicht ook het 2e jaar.

Daarna (of bijna tegelijk) subsidies voor de pilots en vervolgprojecten (zie onder) loskrijgen bij

  • I&M, ELI, SZW, MVO-praktiserende en -voornemende bedrijven en medewerking krijgen van de genoemde beoogde partijen.

2e jaar: ontwikkeling van pilots van toepassingen van alternatieve indicatoren in relatie tot de klassieke MEV-rapportage

  • Uitgevoerd door enkele groepen van daaraan gecommitteerde Alliantiepartners

  • Met raadpleging van – en eventueel inbreng door – milieueconomische en ontwikkelingseconomische vakgroepen van universiteiten en ministeries

  • Lobbyen bij politici voor een proeftoepassing van de pilots en het concrete vervolgproject, samen met betrokken ministeries

3e jaar: concreet project: ontwikkeling van een Fair&Green MEV+

  • Uitgevoerd door een consortium van Alliantiepartners, universiteiten, MVO bedrijven en adviesbureaus

  • Begeleid door I&M, ELI, SZW, planbureaus en (andere) universitaire vakgroepen

  • Voorbereiden van het opnemen van de resultaten in een jaarlijkse publicatie met betrokken ministeries en planbureaus

  • Opnieuw lobbyen voor toepassing

  • Politieke druk organiseren om MEV+ op de jaarlijkse politieke agenda te plaatsen

  • Resultaten inclusief toepassing publiceren door wetenschappelijke (?) en publieke pers.

4e jaar: structureel onderdeel van beleid

  • Organisatorische inbedding

  • Jaarlijkse en aanvankelijk meer frequente bespreking in de Kamer bewaken via politieke partijen

  • Voorstellen van de Nederlandse regering voor het internationaal toepassen van een alternatieve economische verslaglegging gericht op de ontwikkeling van een duurzame en solidaire economie.

5e jaar: verwezenlijking

Eerste structurele stappen naar een solidaire en duurzame economie worden genomen.

(dezelfde tekst als pdf-file)

———-

Bijlages:

Brochure MEV+ (pdf)

Artikel voetafdruk in BN

Dashboard voor duurzaamheid (powerpoint)

Alternatieve welvaartsindicatoren (powerpoint)

ISEW en DNI (powerpoint)

Naar een andere kijk op de economie (pdf)

Report on the World Bank Seminar on Economic Growth (pdf)

Broad sustainability contra sustainability (pdf)

Inkomenseffecten (pdf)




Workshop 1

Workshop 1: Duurzaam Investeren

Doel workshop

  • Roadmap onderdeel ‘Duurzaam investeren’

  • Versterken achterban (Platform Duurzame en Sollidaire economie) in mediamix (VBDO).

  • Mensen toevoegen aan de werkgroep ‘Duurzaam investeren’

Voorbereiding

  • Gespreksleider: Giuseppe van der Helm, directeur VBDO

  • Journalist: Harry te Riele
  • Basisdocument:

    • Probleem: Duurzaam investeren (beleggen) door particulieren is nog niet mainstream. De inzet is dat de werkgroep een beweging op gang zet waarbij particulieren een duurzame keuze maken wat betreft het inzetten van hun geld, op wat voor niveau dan ook. Een steeds uitgebreidere groep van individuen zorgt op die manier voor het omzetten van geldstromen naar duurzame initiatieven, projecten en beleggingen. Dat zorgt uiteindelijk voor een grote impact.

    • Einddoel: Binnen 5 jaar is percentage particulieren dat duurzaam belegd van 4.5% naar 10%

    • Routeplan: hoe te implementeren? Hoe gaan we van early adaptor naar early majority?

      • Cijfers onderzoek VBDO “Duurzaam sparen en beleggen in Nederland” zijn basis

      • Binnen 1 jaar: week van het duurzaam beleggen met belangrijkste Nederlandse sprekers

      • Binnen 1 jaar: Website met overzichtelijke informatie over duurzaam beleggen voor particulieren

      • Binnen 1 jaar: Infrastructuur social media running (discussies)

      • Europese lobby (Eurosif/VBDO), wie doet mee?VBDO neemt conferentie op in mediamix, vraag anderen dit ook te doen

Verslaglegging

  • Samenvatting: Piet Sprengers

  • Notulen: Elisabeth / Sigi

  • Actie Sigi : Notulen en routeplan inleveren bij Martijn van der Linden (PDSE)

Algemeen

Doel: eindig met concrete stappen

Wie vanuit welke organisatie gaat wat doen (1 v/d 1ste stappen routeplan)

(dezelfde tekst als pdf-file)

————-

Bijlages: powerpoint presentatie

Duurzaam Sparen en Beleggen 2010

Verslag Expertmeeting Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

Over de achtergrond van de expertmeeting vindt u uitgebreide informatie elders op deze website (link naar achtergrond).

Ook was er een grote reeks ondersteunenende documenten, die hier terug te vinden zijn.

Van de sprekers waren aparte voorbereidende teksten beschikbaar.

Volgt een overzicht van de inleidingen en de vragen en discussies. Daaronder is een uitvoeriger verslag te vinden.

En hier is de lijst van deelnemers.

… Lees verder

close