Workshop 7

Workshop 7: Internationale voedselzekerheid en landbouw

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

Met medewerking van Duncan Pruett (Oxfam Novib), Keimpe van der Heide (Nederlandse Akkerbouw Vakbond en Platform Aarde Boer Consument), Guus Geurts (XminY en Platform ABC), voorzitter: Klaas Breunissen (Milieudefensie)

‘Op weg naar een duurzame en solidaire voedselvoorziening’

In deze workshop wordt allereerst door verschillende sprekers de huidige situatie geanalyseerd binnen de Europese en mondiale voedselvoorziening. Dan wordt duidelijk dat het vrijhandelsbeleid van de afgelopen decennia is vastgelopen. Boeren in Noord en Zuid raken hun markten kwijt en krijgen geen eerlijke prijzen voor hun producten. Ook gaan de steeds schaarser wordende natuurlijke hulpbronnen naar de hoogste bieder, waardoor grootschalige exportproductie van veevoer en biobrandstoffen prioriteit krijgt boven landrechten en voedselzekerheid.

Ook worden er verbanden gelegd met de klimaat-, energie- en mineralencrises. Daarna worden alternatieven en strategieën gepresenteerd en besproken met het publiek. Leidende begrippen hierbij zijn voedselsoevereiniteit en regionalisering. Zo zijn er zowel drastische beleidswijzigingen nodig in het Europese landbouwbeleid

na 2013 als binnen de WTO en andere vrijhandelsverdragen. Ook wordt besproken hoe er bruggen geslagen kunnen worden tussen boerenorganisaties, maatschappelijke organisaties, bedrijven én een groeiende groep van burgers die actief zijn binnen de lokale voedselvoorziening (in de stad).

(Dezelfde tekst als pdf-file)

Bijlage: Beleidsvisie (pdf)

Workshop 6

Workshop 6: Vredeseconomie en conflictpreventie op de politieke agenda

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2010

Leiding Jan Schaake (Kerk & Vrede); notulist: Greetje Witte-Rang (Platform DSE); medewerkenden: Kees Nieuwerth (Quakers), Mark Akkerman (Stop de Wapenhandel), Peter Polder (PeakOil Nederland) e.a.)]

“Wereldwijd zijn in de 21ste eeuw vier keer zoveel oorlogen door onderhandelingen beëindigd dan door een militaire overwinning. Toch stegen de militaire uitgaven met 45% over de afgelopen 10 jaar, terwijl slechts kleine bedragen werden besteed aan het voorkomen van oorlog.

Experts verwachten een toename van gewelddadige conflicten vanwege snel groeiende ongelijkheid, klimaatverandering en de toenemende uitputting van bestaansmiddelen en grondstoffen zoals landbouwgronden, water en olie. Maar als het conflict escaleert en gewelddadig wordt raken deze oorzaken uit het zicht en worden ook niet opgelost. De grondoorzaken zullen aan de orde gesteld moeten worden binnen duurzame structuren die het conflict transformeren. Anders steekt het conflict domweg de kop weer op bij verkiezingen of andere gelegenheden.” (Introductie van de Global Peace Building Strategy - From violent conflict to systematic peace, October 2010)

Korte algemene situatieschets

Het bovenstaande citaat beschrijft de hedendaagse ontwikkelingen op het gebied van vrede en veiligheid kort en bondig. Waar het westen steeds meer de ongelijkheid tussen noord en zuid laat groeien, ontstaan zowel ressentiment tegen als verlangen naar het rijke westen, zich vertalend in aanslagen op westerse doelen respectievelijk een groeiende migratiestroom naar het westen hetgeen op zijn beurt weer leidt tot extreme veiligheidsmaatregelen en een toenemende militarisering van de grensbewaking.

Er wordt gewaarschuwd voor klimaatoorlogen ten gevolge van een sterk veranderende geografie. Woestijnvorming en zeespiegelstijging maken landbouwgronden onbruikbaar, wat zal leiden tot lokale en regionale conflicten om water en land; toch al instabiele landen kunnen erdoor im- of exploderen. Een binnenkort goed bevaarbare Noordelijke IJszee zal leiden tot mondiale spanningen over vaarroutes en bereikbaar geworden grondstoffen- en energievoorraden. Extreme brandstoffenprijzen zullen tot steeds meer sociale onrust leiden.We zien nu al toenemende spanningen om grondstoffen- en energievoorraden en om de transportroutes, lokaal, regionaal en mondiaal. Oplopende spanningen binnen en tussen tal van Afrikaanse landen waar grondstoffen gewonnen en getransporteerd worden; naast de reeds bestaande soms gespannen verhoudingen tussen leveranciers en afnemers (Midden-Oosten versus het Westen; Rusland versus Oost- en Midden-Europese landen) nieuwe spannende verhoudingen tussen reeds bestaande afnemers en nieuwe spelers op die markt, met name China dat voet aan de grond wil krijgen in Afrika en Centraal-Azië.

Al deze conflicten gaan inmiddels gepaard met militaire machtsvertoon in de meest strategische regio’s. De Indische Oceaan, als verbinding tussen het grondstoffenrijke Afrika, de Arabische wereld, India en China, zou wel eens het strijdtoneel van de 21ste eeuw kunnen worden. Nu al vormt de anti-piraterijvloot rond Somalië de één na belangrijkste NAVO-operatie (na Afghanistan) en behelst ze de grootste Nederlandse legerinzet op dit moment. De afgelopen vijf jaar is de term “energievoorzieningszekerheid” vanuit de louter economische beleidsnota’s terechtgekomen in nationale, Europese en NAVO-veiligheidsdoctrines en wordt openlijk gerept van militaire beveiliging van transportroutes over zee (zoals die rond Somalië) en over land (rond de lange continentale olie- en gaspijpleidingen).

Deze oplopende spanningen en de keuze voor een militaire aanpak leiden wereldwijd tot een intensivering van de miljardenverslindende wapenproductie en wapenhandel.

Armoede wordt steeds meer van de Westerse politieke agenda geschoven, terwijl dat toch dé plaats is waar de structurele oplossingen voor economische onrechtvaardigheid vorm zullen moeten krijgen. De Nederlandse regering krimpt het budget voor ontwikkelingssamenwerking met tenminste 12,5% in, maar geeft het thema “fragiele staten en veiligheid” er alvast structureel 9 miljoen bij: het symptoom (met militaire middelen) en niet de onderliggende oorzaak (met ontwikkelingseconomische middelen) wordt aangepakt.

De werkgroep Vredeseconomie en conflictpreventie van de Alliantie Fair & Green Deal beoogt met de workshop een bijdrage te leveren aan het wegnemen van conflictpotentieel met als einddoel:

van competitie naar coöperatie rond brand- en grondstoffen. De geschetste vredesbedreigende ontwikkelingen kunnen we een halt toeroepen als we een strategie ontwikkelen die niet zozeer gericht is op onderlinge concurrentie maar op het stimuleren van wederzijdse afhankelijkheid en samenwerking. Tijdens deze workshop zullen we deze aanpak nader toepassen op één type conflict, namelijk de olie- en gasconflicten tussen verschillende EU-lidstaten, Rusland en andere voormalige Sovjetrepublieken.

Veiligheid en energievoorziening in Europa

We leven nog steeds in een verdeeld Europa, en daarbij speelt de energiepolitiek een centrale rol. Al verschillende keren speelde Rusland de ‘energie-kaart’ uit om het beleid van buurlanden te beïnvloeden. Ruim 80% van het door de lidstaten van de EU geïmporteerde gas komt nu uit met name drie landen: Noorwegen, Algerije en Rusland. Daarvan neemt alleen Rusland thans meer dan 40% voor zijn rekening.

De lidstaten van de Europese Unie in hun honger naar energie proberen de afhankelijkheid van Russisch aardgas te verminderen door onder meer een gigantische pijpleiding te plannen die gas uit Turkmenistan via Turkije naar Europa kan laten stromen,de zogenoemde Nabucco pijplijn, parallel aan bestaande Russische leidingen, dus louter om de afhankelijkheid van Rusland te verminderen. Voorts zijn er zelfs plannen om een pijplijn dwars door de Sahara aan te leggen waardoor gas uit Nigeria naar Europa kan stromen! De aanleg en het beheer (beveiliging!) van die pijpleidingen vergt miljarden investeringen!

De vraag bij dit alles is natuurlijk: is dit werkelijk nodig? Kunnen we dat geld niet betere besteden, bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van een ander energie- en veiligheidsbeleid?

De NAVO heeft een breed opgevat begrip ‘veiligheid’ steeds verder gemilitariseerd.

De Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en – in beginsel ook de Europese Unie – benaderden veiligheid vanuit een veel breder perspectief, zodat vredesopbouw, het respecteren en ontwikkelen van mensenrechten, het stimuleren van democratische processen en het rechtvaardig delen van natuurlijke hulpbronnen daarvan integraal deel uitmaakten. Een mogelijk alternatief voor deze ontwikkeling is daarom nog steeds het oorspronkelijke model van de VN, EU en de OVSE: samenwerking om gedeelde veiligheid, gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde hulpbronnen te ontwikkelen. De Europese Gemeenschap zou zichzelf opnieuw moeten uitvinden. We kunnen daarbij teruggrijpen op het oorspronkelijke concept van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die destijds hielp om te voorkomen dat grondstoffen werden gemonopoliseerd en (opnieuw) ingezet als instrument bij een gewapend conflict.

Recent dringt Rusland aan op meer samenwerking bij het oppakken van de grote uitdagingen van deze tijd: energieschaarste, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Rusland is daarbij wellicht ook bereid tot nieuwe vormen van samenwerking gebaseerd op de OVSE en het verdrag van Helsinki uit 1975. Het oude Europa wordt hierbij uitgedaagd minder aan de leiband van de Verenigde Staten te lopen.

In plaats van allerlei bilaterale samenwerkingsvormen op energiegebied zouden we gezamenlijk de EEG een nieuwe inhoud kunnen geven door – als Europese Unie- met het door Rusland en haar nabuurlanden geïnitieerde Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) en zelfs alle Centraal-Aziatische staten (Turkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Azerbeidzjan) een nieuw multilateraal samenwerkingsverband te beginnen: een Euraziatische Energie Gemeenschap (EEG!). Doel van deze pan-Europese energiegemeenschap zou tweeledig zijn. Enerzijds het delen en beheren van de schaarser wordende fossiele energiebronnen, anderzijds het gezamenlijk ontwikkelen van de voor een duurzame toekomst benodigde alternatieve energiedragers.

Als we in dat verband dan de geroemde ‘soft power’ van de EU inzetten om de vrijheid, democratische- en mensenrechten tot hoeksteen van het beleid in een steeds grote wordende politiek unie te maken, kan het proces dat zich in het Oude Europa voltrok zich op grotere schaal herhalen en de weg kunnen banen voor Rusland en sommige van haar bondgenoten om vervolgens lid te worden van een inmiddels gemoderniseerde EU. Dan kunnen we eindelijk ook de EU en de Raad van Europa integreren. Eindelijk het ‘Gemeenschappelijk Europees Huis’ zoals Gorbatsjov het eind jaren tachtig, begin negentiger noemde.

Wat de vredesbeweging te doen staat is om samen met de ontwikkelings- en milieubeweging:

  1. De dominante militaire aanpak van toenemende spanningen te bekritiseren;

  2. Met ontwikkelings- en duurzaamheidorganisaties te kijken naar de werkelijke oorzaken;

  3. Strategieën en modellen voor te stellen om deze werkelijke oorzaken gezamenlijk aan te pakken, rekening houdend met ieders deelbelangen. Vrede als de politiek van het samenwerken.

Stappen op weg naar dat einddoel

  • Een samenwerkingsovereenkomst rond beheer en ontwikkeling van fossiele en duurzame energie tussen de EU, Rusland en de voormalige Sovjet-republieken.

  • Het in leveringscontracten opnemen van de verplichting zich aan te sluiten bij de Extractive Industries Transparency Initiative (EITI) en het in acht nemen van gedragscodes voor multinationals.

  • Het vervolgens integreren alle betrokken staten in de uiteindelijk gezamenlijk te vormen Euraziatische Energie Gemeenschap.

Tijdens de workshop zal een concept-routeplan voor dit onderwerp besproken en uitgewerkt worden, en gepoogd worden voor de uitwerking van dat plan medestanders te vinden.

Onderdeel van het routeplan is in ieder geval:

* in 2011 informatievergaring en –verspreiding, door het opstellen van drie papers en het bespreken daarvan op drie conferenties; het opzetten van een webbased campagne (hiervoor is reeds een projectvoorstel in ontwikkeling, als samenwerkingsverband van de organisatoren van de workshop).

(dezelfde tekst als pdf-file)

————–

Bijlages (klik op de titels):

concept roadmap voor workshop 6

Energie en Conflict in Europa

Putting the Bundeswehr Report in Context

Energie- en grondstoffenconflicten

Grond- en brandstof of conflictstof: van conflict naar coöperatie.



Workshop 4

Internationale (belasting op) kapitaalstromen t.b.v. mondiale bestaanszekerheid (leiding Koos de Bruijn (Jubilee/TaxJustice) en Burghard Ilge (BothENDS), met Ted van Hees (Oxfam Novib) (Alliantiewerkgroep 3 en 4; journalist van Onze Wereld)

Introductie:

Ondanks de beeldvorming dat het in de ontwikkelingsdiscussie over een geldstroom van het globale Noorden naar Zuiden gaat is de realiteit dat jaarlijks per saldo miljarden dollars meer van ontwikkelingslanden naar rijke landen dan omgekeerd. Deze geldstroom bestaat grofweg uit twee delen. Enerzijds wordt kapitaal onttrokken door private personen en bedrijven. Bijvoorbeeld door het wegvloeien van winsten, mede door belastingontduiking en -ontwijking door internationale bedrijven (TNCs) en via belastingparadijzen, maar ook door kapitaalvlucht. Anderzijds vloeit kapitaal weg door aflossing van schulden uit het verleden aan commerciële en publieke (nationale en multinationale) crediteuren.
Volgens cijfers van Eurodad stond in 2008 tegenover deze uitstroom van totaat 1205 miljard dollar, slechts 857 miljard euro aan instroom (investeringen, ontwikkelingssamenwerking, overboekingen door migranten, nieuwe leningen, etc)

Daarnaast heeft de grilligheid van mondiale kapitaalmarkten grote gevolgen in ontwikkelingslanden.  Dat geldt zowel voor speculatie met grondstoffen en voedsel als met allerlei financiële producten. Tegelijkertijd zou een passende heffing van internationale belastingen enerzijds een dempende werking kunnen hebben op de meest negatieve van deze producten, zoals derivaten (afgeleide financiële producten) en anderzijds honderden miljarden kunnen opleveren voor binnenlandse financiering (alternatief voor bezuinigingen) en die van mondiale publieke goederen (klimaat, MDGs)
In het kort kan worden gesteld dat deze kapitaalstroom duurzame ontwikkeling in het Zuiden in de weg staat. Daarnaast staat de status quo een eerlijke kans voor het Zuiden in de weg.

Als onderdeel van een Fair Green Deal is aanpak van deze mondiale kapitaalstroom daarom onontbeerlijk. In deze workshop werken we twee concrete voorstellen tot hervormingen van het internationale financiële systeem verder uit. Een is gericht op het oplossen van internationale schuldproblemen de ander op de inzet van belastingmaatregelen om onduurzame gedrag van financiële markten te ontmoedigen en nieuwe financiële middelen te genereren.

Probleemstelling schulden

Ondanks de schuldverlichtingsinitiatieven van de afgelopen twintig jaren blijft de schuldenproblematiek zich manifesteren. In het verleden voornamelijk in ontwikkelingslanden, heden ten dage manifesteren schuldproblemen zich echter ook in ontwikkelde landen. Zie bijvoorbeeld Griekenland en Ierland. Dat maakt het ontbreken van een structurele en vooral eerlijke oplossing voor de schuldproblemen extra zichtbaar.

Zoals nu ook in Europa duidelijk wordt met de verstrekking van nieuwe leningen, worden problemen niet opgelost, maar vooral vooruitgeschoven. Er is een structurele en eerlijke oplossing van schuldproblemen nodig die onafhankelijk is van de betrokken partijen en die rekening houdt met de verantwoordelijkheden van zowel de leners als de geldverstrekkers. Dit kan door middel van de instelling van een zogenaamd Debt Court, of schuldenrechtbank.

Probleemstelling belastingen

Na de Mexicaanse peso crisis in 1994, de Asian Financial Crisis in 1997 en minder dan 10 jaar na de dot-com bubble van 2000 heeft de huidige financiële crises ook de landen bereikt die in het verleden het meest van de deregulering en integratie van de internationale financiële markten hebben profiteerd. Naast de vraag hoe een financiële crisis in de toekomst het best voorkomen kan worden is het zaak te zorgen dat de financiële sector een eerlijke bijdrage levert aan economisch herstel en ontwikkeling, daar de aanzienlijke kosten en gevolgen van de financiële crisis tot dusverre gedragen worden door de werkelijke economie, belastingbetalers, consumenten, overheidsdiensten en de samenleving in het algemeen.
De door de crisis veroorzaakten financiële tekorten dreigen nu met name ten koste te gaan van investeringen die nodig zijn voor een transitie naar een duurzame economie. Zij het de middelen die nodig zullen zijn om adequate te regeren op de dreigingen van klimaat verandering of het halen van de millenniumdoelen

Het voorstel

In 2015 is een onafhankelijke rechtbank voor het oplossen van internationale schuldproblemen realiteit. Landen zijn niet meer overgeleverd aan de grillen van de financiële markten en aan de wil van crediteuren op het moment dat zij – om welke reden dan ook – in betalingsproblemen komen. Nu wordt door een onafhankelijke partij bepaald welke schuldenlast draaglijk is, welke schulden terecht zijn en of op een deel van de schulden afgeschreven moet worden.

Daarnaast is 2012 sprake van een belasting op financiële transacties. Door gericht te zijn op bepaalde soorten „ongewenste” transacties woorden deze onaantrekkelijk en zullen dus minder plaatsvinden. Daarmee zorgt deze belasting voor een stabieler financieel systeem.
Tegelijkertijd brengt de belasting geld op dat kan worden aangewend voor ontwikkelings- en klimaataanpassingsdoeleinden.

In de workshop zal uitgewerkt worden hoe beide maatregelen stap voor stap ingevoerd kunnen en moeten worden.

(dezelfde tekst als pdf-file)

———————-

Bijlages (klik op de titels):

ETUI paper (pdf)

Eurodad Debt Workout Principles (pdf)

Starre schuldeisers verdiepen crisis (pdf)

Debt crisis studie 2010 (pdf)

Getting into Debt (pdf)


Workshop 2: Nederland met nieuwe energie


(Tekst komt nog)

Werkgroep 5

Werkgroep 5: Een Fair&Green Macro Economische Verkenning (MEV+)

Conferentie Routeplan voor een Eerlijke Economie, 3 februari 2011

Met medewerking van Bart de Boer (PDSE), Jan Juffermans (PDSE), Lou Keune (PDSE), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU Tweede Kamer), een vertegenwoordiger van het Wereldnatuurfonds (gevraagd), en diverse anderen.

Doelomschrijving

De omslag van de economie naar een duurzaam en eerlijk alternatief komt neer op een ingrijpende gedaante­verandering van de wereldeconomie, en daarmee op een fundamentele verandering van het gedrag van overheden, consumenten en producenten, wereldwijd.

Daarvoor is het van cruciaal belang dat voor al deze groeperingen duidelijke en eerlijke informatie beschikbaar komt over de gevolgen van de economische ontwikkeling voor mens en milieu (ook internationaal) én over de mogelijkheden om de economie duurzaam en solidair te maken. In Nederland wordt jaarlijks door het Centraal Planbureau (CPB) de Macro Economische Verkenning (MEV) gepubliceerd, als onderbouwing van de jaarlijkse begroting van de regering. Het Deelrapport geeft een beschrijving en analyse van de Nederlandse economie, het probeert helder te maken hoe “wij” er economisch voorstaan. Centraal in het rapport staat de ontwikkeling van de productiegroei, doorgaans economische groei genoemd. Deze wordt gemeten aan de hand van de indicator Bruto Binnenlands Product – BBP. Op de dominantie van deze indicator en van het daaraan gekoppelde groeidenken in de politiek is al sinds decennia veel kritiek, ook vanuit het Platform DSE, bijvoorbeeld in onze petitie van 2006 gericht aan de Tweede Kamer en de regering. Want in diverse opzichten geeft het BBP een verkeerd beeld van de economie en van de groei daarvan, waardoor de noodzaak en de urgentie van de overgang naar een duurzame en solidaire economie onderbelicht blijft.

Ons voorstel is om aan alternatieve economische indicatoren in de MEV een plek te geven die minstens gelijkwaardig is aan het BBP. Dat wil dan zeggen dat bij de beschrijving en analyse van de verschillende economische activiteiten niet alleen gekeken wordt naar het BBP maar ook naar andere economische indicatoren. En daarbij denken wij met name aan de Index of Sustainable Economic Welfare – ISEW, de Ecologische Voetafdruk – EV, en het Duurzaam Nationaal Inkomen – DNI. Daarnaast dat in de MEV relaties gelegd worden met de ontwikkeling van variabelen uit andere maatschappelijke domeinen die strategische betekenis hebben voor het zicht op de gevolgen en perspectieven van de economie. Wij denken hierbij aan, bijvoorbeeld, de (Nederlandse) Leefsituatie Index, de (mondiale) Living Planet Index en de indicatoren ontwikkeld door het UNDP op gebieden van mondiale inkomensarmoede en –ongelijkheid en het welzijn.

We stellen voor bovenstaande in Nederland te gaan doen, dus daar willen we een routeplan voor maken. Wij zien dit als een begin. Want ook op Europees en VN-niveau zou op vergelijkbare manier over de economische ontwikkeling verslag moeten worden gedaan, zodat een goede vergelijking tussen landen mogelijk wordt en er van zowel goede als slechte voorbeelden geleerd kan worden. De wijze van economische verslaglegging zou bij uitstek ook een onderwerp moeten zijn op de mondiale conferentie ‘RIO + 20’, die in 2012 in Rio de Janeiro wordt gehouden, 20 jaar na de eerste VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling. Nederland zou dat op de internationale fora moeten bepleiten.

Mogelijk routeplan

1e en 2e jaar: op de agenda zetten

Dit lukt alleen als we met een (bijgesteld) voorstel voor de MEV+ komen, met name wat betreft

  • de op te nemen indicatoren voor (on)duurzaamheid en (in)solidariteit

  • hun samenhang

  • de opzet van de jaarlijkse rapportage over genomen technische, bestuurlijke en economische maatregelen

  • de mogelijke jaarlijkse aanbevelingen.

Een strategie voor de benadering van externe partijen is ook nodig.

Met dit gereedschap de MEV+ vervolgens op de agenda zetten van:

  • alle Alliantiepartners: 1e jaar

  • I&M, ELI, SZW, SCP, PBL, CBS, CPB, MVO-praktiserende en -voornemende bedrijven: 1e en voor de overheidsinstellingen wellicht ook het 2e jaar.

Daarna (of bijna tegelijk) subsidies voor de pilots en vervolgprojecten (zie onder) loskrijgen bij

  • I&M, ELI, SZW, MVO-praktiserende en -voornemende bedrijven en medewerking krijgen van de genoemde beoogde partijen.

2e jaar: ontwikkeling van pilots van toepassingen van alternatieve indicatoren in relatie tot de klassieke MEV-rapportage

  • Uitgevoerd door enkele groepen van daaraan gecommitteerde Alliantiepartners

  • Met raadpleging van – en eventueel inbreng door – milieueconomische en ontwikkelingseconomische vakgroepen van universiteiten en ministeries

  • Lobbyen bij politici voor een proeftoepassing van de pilots en het concrete vervolgproject, samen met betrokken ministeries

3e jaar: concreet project: ontwikkeling van een Fair&Green MEV+

  • Uitgevoerd door een consortium van Alliantiepartners, universiteiten, MVO bedrijven en adviesbureaus

  • Begeleid door I&M, ELI, SZW, planbureaus en (andere) universitaire vakgroepen

  • Voorbereiden van het opnemen van de resultaten in een jaarlijkse publicatie met betrokken ministeries en planbureaus

  • Opnieuw lobbyen voor toepassing

  • Politieke druk organiseren om MEV+ op de jaarlijkse politieke agenda te plaatsen

  • Resultaten inclusief toepassing publiceren door wetenschappelijke (?) en publieke pers.

4e jaar: structureel onderdeel van beleid

  • Organisatorische inbedding

  • Jaarlijkse en aanvankelijk meer frequente bespreking in de Kamer bewaken via politieke partijen

  • Voorstellen van de Nederlandse regering voor het internationaal toepassen van een alternatieve economische verslaglegging gericht op de ontwikkeling van een duurzame en solidaire economie.

5e jaar: verwezenlijking

Eerste structurele stappen naar een solidaire en duurzame economie worden genomen.

(dezelfde tekst als pdf-file)

———-

Bijlages:

Brochure MEV+ (pdf)

Artikel voetafdruk in BN

Dashboard voor duurzaamheid (powerpoint)

Alternatieve welvaartsindicatoren (powerpoint)

ISEW en DNI (powerpoint)

Naar een andere kijk op de economie (pdf)

Report on the World Bank Seminar on Economic Growth (pdf)

Broad sustainability contra sustainability (pdf)

Inkomenseffecten (pdf)




Workshop 1

Workshop 1: Duurzaam Investeren

Doel workshop

  • Roadmap onderdeel ‘Duurzaam investeren’

  • Versterken achterban (Platform Duurzame en Sollidaire economie) in mediamix (VBDO).

  • Mensen toevoegen aan de werkgroep ‘Duurzaam investeren’

Voorbereiding

  • Gespreksleider: Giuseppe van der Helm, directeur VBDO

  • Journalist: Harry te Riele
  • Basisdocument:

    • Probleem: Duurzaam investeren (beleggen) door particulieren is nog niet mainstream. De inzet is dat de werkgroep een beweging op gang zet waarbij particulieren een duurzame keuze maken wat betreft het inzetten van hun geld, op wat voor niveau dan ook. Een steeds uitgebreidere groep van individuen zorgt op die manier voor het omzetten van geldstromen naar duurzame initiatieven, projecten en beleggingen. Dat zorgt uiteindelijk voor een grote impact.

    • Einddoel: Binnen 5 jaar is percentage particulieren dat duurzaam belegd van 4.5% naar 10%

    • Routeplan: hoe te implementeren? Hoe gaan we van early adaptor naar early majority?

      • Cijfers onderzoek VBDO “Duurzaam sparen en beleggen in Nederland” zijn basis

      • Binnen 1 jaar: week van het duurzaam beleggen met belangrijkste Nederlandse sprekers

      • Binnen 1 jaar: Website met overzichtelijke informatie over duurzaam beleggen voor particulieren

      • Binnen 1 jaar: Infrastructuur social media running (discussies)

      • Europese lobby (Eurosif/VBDO), wie doet mee?VBDO neemt conferentie op in mediamix, vraag anderen dit ook te doen

Verslaglegging

  • Samenvatting: Piet Sprengers

  • Notulen: Elisabeth / Sigi

  • Actie Sigi : Notulen en routeplan inleveren bij Martijn van der Linden (PDSE)

Algemeen

Doel: eindig met concrete stappen

Wie vanuit welke organisatie gaat wat doen (1 v/d 1ste stappen routeplan)

(dezelfde tekst als pdf-file)

————-

Bijlages: powerpoint presentatie

Duurzaam Sparen en Beleggen 2010

Verslag Expertmeeting Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur

Over de achtergrond van de expertmeeting vindt u uitgebreide informatie elders op deze website (link naar achtergrond).

Ook was er een grote reeks ondersteunenende documenten, die hier terug te vinden zijn.

Van de sprekers waren aparte voorbereidende teksten beschikbaar.

Volgt een overzicht van de inleidingen en de vragen en discussies. Daaronder is een uitvoeriger verslag te vinden.

En hier is de lijst van deelnemers.

… Lees verder

inleiding Lou Keune

Steeds weer worden wij overvallen met berichten over de ernst van verschillende mondiale problematieken. Zoals nu weer de berichten van de FAO over de voortdurende voedselcrisis; dagelijkse berichten over de financieel-economische crisis; het nieuwste UNDP rapport over de gevolgen van de verschillende milieucrises in vooral de ontwikkelingslanden, èn over de grote inkomensongelijkheden in de wereld; een WHO rapportage dat jaarlijks 3 miljoen kinderen jonger dan 5 jaar sterven als gevolg van milieugerelateerde oorzaken; afgelopen week de World Energy Outlook volgens welke wij gaan in de richting van een verdere opwarming met 6 graden, terwijl Kyoto dit wilde beperken tot 2 graden; en ook berichten over de verdere stijging van de ecologische overshoot, dus het overgebruik van de biocapaciteiten uitgedrukt in de ecologische voetafdruk; en de voortgaande daling van de biodiversiteit.

 

Wij hoppen financieel-economisch van crisis naar crisis, proberen die op allerlei manieren de baas te worden (wat maar zeer gedeeltelijk lukt). Maar wij dreigen die andere crises, die ook ònze crises zijn, als maar weer weg te drukken. Er is veel bekend over wat aan al die vraagstukken in structurele zin gedaan zou moeten worden, zie bijvoorbeeld de mede door ons ontwikkelde FGD. Maar in die dagelijkse druk om iets te doen aan de financieel-economische crises wordt gemakkelijk het verband tussen al die problematieken uit het oog verloren. En dat verband is dat wij te maken hebben met een diepgaande structurele crisis van ons economisch bestel.

 

Neem bijvoorbeeld de manier waarop prijzen tot stand komen. Het is al sinds decennia, mede dankzij mensen als Tinbergen en Daly, bekend dat de prijzen die op de markten gehanteerd worden niet echt vertegenwoordigend zijn voor het totaal van kosten van voortbrenging en distributie van goederen en diensten. Want veel milieuschades maar ook sociale kosten zijn daar niet in verrekend. Dat is ook de reden dat wij te weinig betalen voor wat wij verbruiken, en dus een hoge “welvaart” vertonen. Maar dat gaat wel ten koste van het milieu, van veel mensen, zeker in ontwikkelingslanden, en ook van de jongere en de toekomstige generaties. En toch blijven wij daarmee doorgaan, mede dankzij de misplaatste theorie dat vrije markten tot correcte prijzen leiden.

 

Of, een ander voorbeeld, neem onze drive om steeds meer te consumeren. Het is ook al heel lang bekend dat meer consumptie vanaf een zeker niveau ons echt niet gelukkiger maakt, en nauwelijks tot niets meer toevoegt aan ons welzijn. Maar toch is meer consumptie een heilige plicht geworden, wij worden haast dagelijks door politici en economen opgeroepen om onze verantwoordelijkheid te nemen. Want hoe kunnen wij anders uit de crisis komen?, is de leidende gedachte.

 

In het Plan dat wij vandaag presenteren hebben wij de brutaliteit om bij ontstentenis van anderen, zeker de verschillende beleidsinstanties, althans in Nederland, om zelf de koe bij de hoorns te vatten. Wij presenteren dit Plan dat wel uitgaat van het grote verband tussen de verschillende crises. Wij hebben daarbij een aantal uitgangspunten en principes van economisch beleid ontwikkeld die nogal verschillen van wat nu in beleidskringen de dominante opvattingen zijn. In ons Plan vormen mens en milieu en hun mogelijkheden en belangen, dè leidraad, dus niet geldswaarden als het BBP. Het is ook een Plan van transitie (of als u wilt: transformatie) van onze economie. Mijn collega John Huige zal dat nader toelichten. En dat allemaal in de hoop dat ook u, net als vele duizenden individuele burgers en sociale verbanden, de handschoen oprapen en plannen en programma’s gaan ontwerpen zoals mensen als Tinbergen en Voskuil deden in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Inleiding John Huige

Het ANP meldde vanmorgen een daling van de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) met 0,3 %. Hier op het binnenhof leidt dat onmiddellijk tot veel roering.

In ons boek besteden we ruim aandacht aan het feit dat economische groei een oplossing lijkt te zijn voor alle maatschappelijke kwalen (fin. crisis, werkgelegenheid, pensioenvraagstuk, en noem maar op). In elk artikel en elke uitzending over oplossingen voor de economische crisis wordt groei meerdere malen genoemd. Alle actoren in het maatschappelijke veld hebben belang bij groei: politiek (groei = verkiezingswinst = leuke maatregelen voor de mensen) vakbeweging (groei = ruimte voor loonsverhoging = meer leden) bedrijven (groei = beter presteren dan de concurrentie = meer winst = meer bonus).

 

Groei is geen oplossing. Groei is van een win – win situatie (meer welvaart concurrerende economie) gekomen in een lose lose situatie (snelle uitputting van vitale wereldsystemen en steeds meer ongelijkheid). Groei kan in het licht van duurzaamheid niet meer!

Waarom organiseren de (linkse en sociaal geïnspireerde) politieke partijen niet een hoorzitting over het einde van de groei en hoe we dat beheerst maar weloverwogen in gang kunnen zetten? Waarom maken zij niet samen een PLAN?

Onderdeel van zo een plan moet een maatschappelijke transitie zijn. Een begin van een systeemverandering naar een duurzame en solidaire economie. U bent allen overtuigd van de noodzaak van systeemverandering. De urgentie is er. De gelegenheid is er.

Transities zijn door vorige kabinetten gestimuleerd; deels met succes; deels niet. Nu lijkt dit hele idee losgelaten. Toch wordt er maatschappelijk en op regionaal vlak verder geëxperimenteerd. Maar het zou ook op landelijk vlak weer opgepakt moeten worden.

Wie van u heeft in de fractie een portefeuille transitiebeleid?

Waarom ook hier niet een initiatief genomen door eerder genoemde partijen die hun visie op een duurzame en solidaire samenleving samen invullen en hiervoor samen met NGO’s en maatschappelijke organisaties (van occupy tot vakbeweging en van Plattelandsvrouwen tot Natuurmonumenten) het debat hierover aangaan? Onderdeel van die visie moet in elk geval gaan over de scheve inkomensverdeling. Want een maatschappelijk draagvlak is alleen mogelijk als de inkomensverdeling redelijker wordt. Dan kunnen ook inkomenszekerheden gegeven worden (ook voor pensioenen)en wordt uiteindelijk ook het einde aan de groei bespreekbaar.

Daarover gaat ons boek dus. De aanleiding en de ingrediënten om verder te komen zijn aanwezig. Ik hoop dat de politiek opnieuw een bondgenoot wordt in het streven naar een echte duurzame & solidaire maatschappij.

John

Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur: naar een nieuw perspectief

Internationaal Ontwikkelingsbeleid en Mondiaal Bestuur: naar een nieuw perspectief

Korte bespreking van enkele onderliggende en structurele onderwerpen

Myriam Vander Stichele

SOMO

 

 

  1. Enkel van de structurele problemen:

 

  • VN Mensenrechtenverdrag, sociale en milieuverdragen hebben geen prioriteit over de economische verdragen maar eerder vice versa.
  • Werken binnen het VN framework is niet afdwingbaar, en de VN heeft geen inkomsten behalve bijdrage van de landen zelf die het soms misbruiken om hun belang of ideologie af te dwingen.
  • Er bestaat geen internationaal gerechtshof of tribunalen met sancties die klachten tegen schending van VN Mensenrechtenverdrag, sociale, culturele en milieuverdragen kunnen behandelen, en die verdragen afdwingbaar maken. In tegenstelling tot economische verdragen (WTO, FTAs, Bilateral investeringsverdragen, double tax treaties, etc.) die internationaal afdwingbaar recht zijn. Bovendien, hebben de “economische internationale organisaties” zoals WTO, G20, IMF en Wereldbank zich direct (WTO, G20) en indirect (IMF, Wereldbank) onafhankelijk gemaakt van de VN. Erger er onstaan belangrijke internationale fora die alleen de rijken en staten met bedrijven verbinden (bv. Davos Forum). Resultaat: imbalance in global governance.
  • VN veiligheidsraad heeft geen equivalent voor globale sociale, ecologische en economische onderwerpen (maar die onderwerpen worden wel door alle VN lidstaten mee beslist in verschillende VN organen)
  • Geen scheiding van de rechten op internationaal niveau tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht: geen onafhankelijke internationale rechtbank voor economische delicten; de Ministers (= uitvoerende macht) onderhandelen en besluiten over verdragen en internationale regels (= wettelijke macht) waar de nationale parlementen weinig zeg over hebben = gebrek aan democratie in internationale politiek, VN en verdragen.
  • Internationale verdragen, hoe oneerlijk of schadelijk ook, hebben prioriteit over nationale regels.
  • Over het financiële systeem en belastingen bestaan geen verdragen of afdwingbare afspraken, enkel richtlijnen (Basel Committee) en aanbevelingen (Financial Stabililty Board).
  • Internationale opererende bedrijven en personen kunnen vaak ongestraft te werk gaan en belasting ontwijken door gebrek aan samenwerking en internationale instellingen waar burgers toegang toe hebben.

 

Enkele alternatieven:

  • Internationale overeenkomst die vast stelt dat VN mensenrechten, sociale, culturele en ecologische verdragen prioriteit hebben over economische verdragen. Die laatsten worden door een internationaal constitutioneel hof/ internationaal openbaar ministerie daarop getest. Dat internationaal constitutioneel hof/ internationaal openbaar ministerie kan klachten van burgers behandelen. Een openbaar internationaal ministerie kan ook bedrijven en burgers veroordelen die bij internationale handelingen die VN mensenrechtenverdragen etc. hebben overtreden = niemand ontsnapt aan het respecteren van alle VN mensenrechtenverdragen en sociale, culturele en ecologische verdragen.
  • Internationale parlementen worden opgericht bij alle internationale instellingen. Niet alleen om de besluitvorming te monitoren en mee te besluiten, ook met de bedoeling om nationale parlementsleden te confronteren met de vragen/noden van andere landen.
  • Mechanismen waarbij non profit civil society organisaties die vanuit mondiale solidariteit werken, een stem krijgen. Waarborgen dat bedrijvenlobby de standpunten van de landen en internationale onderhandelingen niet domineren in internationale fora + andere manieren om burger dichter bij internationale besluitvorming te brengen met respect van principe van subsidiariteit.

 

  1. Enkele inhoudelijke problemen voor global governance for all:

 

  • Internationale relaties zijn uiteindelijk nog altijd gebaseerd op het recht van de sterkste (wet van Machiavelli), wat meer en meer neerkomt op het recht van de ‘grootste’. En wie macht heeft op het internationaal niveau, gebruikt het voor eigenbelang, niet voor gemeenschappelijk en internationaal common good belang.
  • Er is een gevaarlijke verschuiving plaats gevonden van het samenwerkingsmodel (post WO II) in VN, naar concurrentiemodel (neo-liberaal) via economische verdragen die streven naar een ‘level playing field’ idee. Maar gelijk behandelen van ongelijke landen leidt tot onrecht. Prioriteit aan marktwerking, ook in sectoren die te maken hebben met mensenrechten (recht op voedsel, water, gezondheid, scholing) faalt: “de markt faalt voor de armen” (Kofi Anan) want richt zich op de rijken.
  • Principes van solidariteit, herverdeling, ecologische en sociale duurzaamheid niet ingebed in internationale relaties door overheden en andere actors (bv. bedrijven, behalve voor civil society groups!?). Ontwikkelingssamenwerking is volledig vrijwillig door wie er voor wil betalen. Volledige werkgelegenheid wordt door velen bepleit maar niet uitgevoerd. Uiteindelijk staat vaak het belang van grote bedrijven (die zogezegd voor werkgelegenheid en groei zorgen) van een land voorop in het internationaal standpunt van een land = dominantie van pure economische standpunten.

 

 

Enkele voorstellen voor alternatieven:

 

  • Opnieuw principe van samenwerking vooropstellen, inclusief principe van herverdeling o.w.v. ongelijke landen in de wereld, en precautionary principe. Er moet internationale erkenning komen dat concurrentie & marktwerking niet werkt voor sectoren die met mensenrechten te maken hebben, zoals als voedsel, water, gezondheid, scholing, financiën (financiële basis diensten zijn een recht; financiële stabiliteit is a common good for all) = beter functionerende VN organen kunnen hierbij een belangrijke rol met subsidiariteitsprincipe.
  • Voor sectoren waar marktwerking toch nog heerst: een internationale mededingingsauthoriteit, een VN Body on Multinational Enterprises (nu weggesaneerd door Reagan: monitoring ook van de misbruiken), verdragen voor goede prijsafspraken voor grondstoffen en verbod op lage prijzen die geen sociale en milieuaspecten inbegrijpen, duurzame productie & consumptie, ketenverantwoordelijkheid en eerlijke verdeling van inkomsten binnen de keten, …
  • Vaststellen en internationaal beheer van common goods, met participatieve mechanismen van grass roots tot internationaal. Een principe daarbij is om conflicten te vermijden en de meest behoevenden die er gebruik van maken te beschermen.

 

 

Mondiale ontwikkelingen en de visie ‘van onderop’ (Kees Hudig)

Ongeveer tien jaar geleden zagen we een inspirerende eruptie van politieke bewegingen en acties, toen wat genoemd werd de (anti/anders)globaliseringsbeweging opkwam. Hoewel de ‘beweging’ zoals gezegd zeer divers was, en het daarom risicovol is om er specifieke richting aan te plakken, denk ik dat het geoorloofd is een aantal algemene trends te signaleren, die hopelijk ook bruikbaar zijn voor de expertmeeting. Ze duiden namelijk op een aantal dilemma’s die nog steeds heersen en waar we oog voor moeten hebben als er oplossingen bedacht worden.
——————-

Dit is geen beschrijving van de gebeurtenissen van die beweging rond de millenniumwisseling, van de vele massale opstanden rond topconferenties. Ik wil met name ingaan op de inhoudelijke analyse en eisen, toen en nu.

 

Een van de belangrijkste elementen van die ‘beweging van bewegingen’ was – en is in zekere zin nog steeds – dat het de vorm had aangenomen van een decentraal netwerk, waar groepen uit vele delen van de wereld in participeerden. In de ongeveer tien jaar die volgden, heeft dat netwerk zich natuurlijk ontwikkeld, en bleek het kwetsbaar voor beïnvloeding en bijsturing door regeringen, grote ngo’s of andere organisaties zoals vakbonden en politieke partijen (*1). Daarnaast waren er natuurlijk ook invloedrijke politieke gebeurtenissen die de omstandigheden veranderden, zoals 9/11 en de veiligheidshysterie, en de oorlogen die daarop volgden. Deze zaken hebben de ontwikkeling van de beweging beïnvloed. Zo zijn de Sociale Forums bijvoorbeeld duidelijk over hun hoogtepunt heen (hoewel ze nog steeds plaatsvinden buiten het zichtveld van de media). Maar er is ondertussen veel bereikt – zeker als je het vergelijkt met de neoliberale jaren ’90 van vóór de opkomst – en delen van de beweging zijn nog steeds actief (en zijn vaak belangrijk geweest bij het opkomen van de nieuwe ‘occupy’-beweging).

 

Zoals gezegd is er een aantal algemene trends te signaleren, die hopelijk bruikbaar zijn voor de expertmeeting (*2). Ze duiden op een aantal dilemma’s die nog steeds heersen en waar we oog voor moeten hebben als er oplossingen bedacht worden.

 

Reactie op globalisering

 

Wat alle deelnemers aan de beweging natuurlijk gemeenschappelijk hadden en hebben, is dat ze actief reageren op het feit dat economische globalisering feitelijk plaatsvindt. Commerciële markten overheersen steeds meer aspecten van het dagelijks leven en zijn ook in snel tempo grenzeloos geworden. Dit proces werd en wordt gedomineerd door economische machten, met name grote ondernemingen, waar wij geen controle over hebben. En overheden waren en zijn over het algemeen meer bedreven in het bedienen van de wensen van die ondernemingen, dan in het beschermen van de rechten van de burgers. Dit proces was in de jaren ’90 gaande en werd steeds beter zichtbaar, zonder dat er een parallel proces van ‘globalisering’ van de rechten van arbeiders, vrouwen, of het beschermen van milieu waarneembaar was. Overheden trokken zich in de jaren ’90 juist terug van dat soort terreinen en ‘de markt’ zou ook dat gaan regelen. Politieke partijen, inclusief de linkse, gingen in dat verhaal mee, of hebben het globaliseringsproces in ieder geval niet kunnen verhinderen.

 

Toen de globaliseringsbeweging zich begon the materialiseren, bijvoorbeeld met het eerste World Social Forum in Porto Alegre in 2001, was de algemene aversie tegen politieke partijen dermate groot dat in de Charter of Principles expliciet vermeld werd dat politieke partijen uitgesloten zijn (*A)

Het charter weerspiegelt goed hoe de deelnemers van toen nadruk legden op een open (horizontale) structuur, gedragen door basisbewegingen (grassroots movements). Allemaal elementen die nu nadrukkelijk terugkeren in het occupy-gebeuren.

 

Een tweede algemene deler is dat veel van de acties en bewegingen zich juist richtten tegen internationale instellingen, inclusief die van de VN (*3). Dit komt voort uit het gevoeld bij individuen en organisaties dat ze door die instellingen eerder gepakt werden, dan dat ze aan hun kant stonden; men hield hun overheden verantwoordelijk voor het voortbestaan van die situatie. Denk aan de protesten tegen IMF en Wereldbank en bij EU-toppen, de WTO et cetera. De Wereldbank is een goed voorbeeld: ooit opgericht om ‘ontwikkeling’ te helpen, ondertussen volledig verworden tot instrument voor neoliberale beleidsmakers en projectontwikkelaars. De demonstranten keerden zich veelal frontaal tegen deze instellingen, in plaats van beleidsverandering of hervorming te eisen. (Merkwaardig genoeg levert juist dat vaak hervormingen op, maar dat is een ander onderwerp).

 

Aan de ene kant maakten mensen en hun organisaties zich druk over het feit dat de economische globalisering het bedrijfsleven en hun markten steeds meer macht gaf. Tegelijkertijd bekritiseerden ze juist die structuren waar men traditioneel de antwoorden van zou verwachten op hun grieven: de politieke partijen, de overheden en de internationale instellingen. Ze zagen die – en mijns inziens geheel terecht – eerder als onderdeel van het probleem dan van de oplossing. Veel bewegingen hebben zich ook actief verzet tegen voorstellen om nieuwe mondiale instellingen op te richten, ook als die progressieve oplossingen beloofden, omdat ze vreesden dat die weer tegen hen gebruikt zouden gaan worden (*4). Ze gaven daarom juist de voorkeur aan beperking van de schaal van besluitvorming, benadrukten de noodzaak om macht en besluitvorming tot een overzichtelijk niveau te beperken en hadden het over ‘localization’ of ‘deglobalization’ Aanpalend zou er vooral gezorgd moeten worden voor terugdringing van de krachten die schade toebrengen. De strategie van het grassroots-deel van de globaliseringsbeweging was in die zin vooral gericht op wat de Britse filosoof John Gray noemt: stopping power. Het resulteerde in het tegenhouden van veel ongewenste ontwikkelingen (zoals de vorming van wat de grootste vrijhandelszone van de wereld had moeten worden, de FTAA na de opstand van Quebec, maar er zijn vele andere voorbeelden).

 

Dillema’s oplossen

 

Tegelijkertijd wordt beseft dat veel problemen niet of maar gedeeltelijk zijn opgelost. De crisis die in 2007 inzette, heeft dat nog eens versterkt. Nieuwe bedreigingen die tien jaar geleden nog niet aanwezig waren, of niet zo pregnant, steken ook de kop op (zoals speculatie met voedsel, biobrandstoffen , landgrabbing…). De roep om internationale regelgeving of regulering neemt weer toe, maar twijfels blijven of het middel niet erger zal zijn dan de kwaal. Interessant is daarom te zoeken naar nieuwe inzichten die oplossingen uitdragen die ook het bovenbeschreven dilemma omvatten. Ik zal verderop wat recente voorbeelden beschrijven. Maar eerst een paar constateringen voortkomend uit de oorspronkelijke globaliseringsbeweging.

 

*) Walden Bello is een prominent denker over strategie voor ontwikkeling van het Mondiale Zuiden, en vooraanstaand lid van Focus on the Global South. Met vele anderen is hij verantwoordelijk geweest voor het tot staan brengen van de WTO, die ze niet wilden hervormen maar ‘laten ontsporen’. Hij schreef, naast veel andere boeken, in 2002 het boekje Deglobalization (*5). Daarin beschrijft hij hoe desastreus de ontwikkeling van de wereldeconomie voor het Zuiden is geweest. Hij is ervan overtuigd dat het onmogelijkheid is om ‘multilateral agencies’ via hervormingen tot beter beleid te laten komen. Volgens zijn analyse schieten drie andere ‘gematigde voorstellen’ uit die tijd (een Economic Security Council, het voorstel van de Meltzer Commission, en de ‘terug naar het Bretton Woods-systeem’-stroming) tekort omdat alleen de heersende Noordelijke economieën ze in hun voordeel kunnen gebruiken.

Hij doet in zijn boek aanbevelingen voor een strategie gericht op de ontmanteling van de WTO en de Bretton Woods-instellingen. Maar vervolgt dan met het advies om ‘coalities tot stand te brengen rond meer breed geaccepteerde doelen’ en besluit dan met de constatering dat ‘hand in hand with the deconstruction process must unfold the reconstruction process or the enterprise to set up an alternative system of global governance’. Om vervolgens meteen te erkennen dat het denken daarover ‘nog in primitief stadium zit’. Hoewel volgens hem de grote lijnen ervoor allang duidelijk zijn en alleen nog verder ingevuld hoeven te worden, “in ways that respect the diversity of societies”. Hij verwijst naar het International Forum on Globalisation en geeft zelf een set voorwaarden waar de economie aan moet voldoen om te kunnen ‘deglobaliseren’ (komt oa. neer op omvormen economie van export-georienteerd naar binnenlandse productie, inkomensherverdeling en grondhervorming, afstand nemen van groei, democratische controle over strategische economische besluiten, uitfaseren van TNC’s. (zie Deglobalization p 112-118)

 

*) Een ander handig boekje dat een overzicht geeft over ideeën in de globaliseringsbeweging, is Global Governance (*6) van Kristin Dawkins ( Institute for Agriculture and Trade Policy IATP). Ook zij ziet vooral de bedreiging door de toegenomen invloed van ondernemers op politiek en internationale instellingen. Zij beschrijft (in het laatste hoofdstuk over oplossingen) allereerst aan welke uitgangspunten een ‘growing consensus’ over de economie moet voldoen. Volgens haar werkt het marktfundalisme niet langer en staan de basislevensvoorwaarden kunnen niet ter discussie. De ‘publieke sfeer’ moet beschermd worden en daarbinnen ‘menselijke behoeften, mensenrechten, arbeidsrechten en culturele en ecologische integriteit’ . Verder is ze van mening dat de macht van ondernemingen en elites moet worden gereguleerd en dat democratische systemen van rechtspraak voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Ze illustreert elk punt met voorbeelden van pogingen om dat te bereiken, waaronder hervormingen van de VN.

 

Het volle gewicht van de ondernemers

 

Maar de belangrijkste spagaat blijft die tussen het opbouwen, of alleen al voorstellen, van instellingen voor ‘global governance’ en het proces van empowerment van basisbewegingen. Want: hoe is te voorkomen dat dezelfde krachten die instellingen als de Wereldbank en andere instellingen tot hun instrument wisten te maken om juist mensen te knechten en het tegenovergestelde te bereiken van ‘ontwikkelingen’, hun volle gewicht op elk nieuwe internationale initiatief zullen werpen. Wie zijn hoop op de VN heeft gevestigd, omdat het er daar democratischer aan toen zou gaan, moet worden teleurgesteld. Daar is allang hetzelfde te zien als elders: alle initiatieven worden bestookt door lobby-krachten van het bedrijfsleven, vaak opererend via de regeringsvertegenwoordigingen van de rijke landen. De term ‘greenwashing’ (voor bedrijven die zich alleen van milieu-etiketten willen voorzien om reclame te maken) heeft al de pendant van ‘bluewashing’ gekregen. (Zie voor veel kritische noten bij het Global Compact-initiatief (a strategic policy initiative for businesses that are committed to aligning their operations and strategies with ten universally accepted principles in the areas of human rights, labour, environment and anti-corruption) van de VN bijvoorbeeld: http://globalcompactcritics.blogspot.com/ Er is veel meer kennis opgebouwd over greenwashing en bluewashing en aanpalende gebieden.

 

Ik weet te weinig af van allerlei lopende discussies over huidige ‘global governance’-oplossingen om daar gedetailleerd op in te kunnen gaan, maar zie wel voortdurend internationale initiatieven langskomen die falen en vaak meer kwaad dan goed doen en daarom de woede van lokale bewoners of producenten/boeren opwekken. Bijvoorbeeld de al eerder genoemde Round Table on Responsible Soy http://www.responsiblesoy.org/ Hierover zond Zembla onlangs nog een documentaire uit: http://www.globalinfo.nl/Recensies-enzo/zembla-waardeloze-keurmerken.html.

Hetzelfde geldt ook voor het drama op het gebied van terugdringen van CO2-uitstoot door marktmechanismes te benutten. Zie daarover: http://www.carbontradewatch.org/ Ook op dat gebied is er trouwens weer een negatieve rol voor de VN met haar REDD-programma. In Chiapas worden arme boeren van hun land gedreven om plaats te maken voor projecten die hieruit bekostigd worden. Eigenlijk is het hele biobrandstoffen-dossier een groot voorbeeld van hoe het niet moet (en van wat er gebeurt als de Westerse milieubeweging zonder oog voor maatschappelijke gevolgen ‘oplossingen’ gaat voorstellen).

 

Voor achtergrondinformatie over het bedrijfsleven en de VN: zie verder ondermeer het boek “The UN and Transnational Corporations” (*7)

 

Het probleem van spanning tussen centraal beleid en lokale belangen, dient zich trouwens ook aan bij louter nationaal beleid. Typerend is bijvoorbeeld de spanning tussen de beweging van landlozen in Brazilië en de centrumlinkse regering Lula (en nu diens opvolger Dylma Rousseff). Die laatste krijgt internationaal de handjes op elkaar vanwege armoedebestrijdingsprojecten zoals Bolsa Familia (http://en.wikipedia.org/wiki/Fome_Zero). Maar binnenlands is het een heel ander verhaal en arme boeren en hun organisaties zijn allerminst tevreden aangezien het bestaande landbouwbeleid grotendeels intact blijft (exportgeorienteerde agro-industrie). Je kunt zeggen dat hij zijn armoedebeleid financiert met beleid dat armoede en ontheemding produceert.

 

Noodzaak blijft

 

Tegelijkertijd zal niemand tegenstander zijn van werkelijke goede mondiale regulering, op het gebied van arbeid, milieunormen et cetera. Ook zouden voorzieningen voor wereldwijde bestaanszekerheid uiteraard een enorme stap vooruit zijn. Waar het om gaat, is die te bereiken zonder dat het louter ‘greenwashing’ leidt, of zonder dat het proces door overheden en bedrijven misbruikt kan worden voor het tegendeel van waar ze voor opgezet waren. Ook moeten ze niet leiden tot disempowerment (‘het is nu geregeld, dus wat zeuren jullie nog’). Daar zijn voorwaarden voor en voorbeelden van.

 

(Ik ben geen expert, dit is wat ik uit ervaring langs zag komen. Als we er tijd voor uittrekken zal het goed mogelijk zijn een minder subjectieve opsomming te maken) Wat algemene voorwaarden:

 

Waar mogelijk juist discriminatoir te werk gaan. Prioriteiten stellen voor armen en ‘gewone mensen’, niet voor de positie van de bedrijven. Bedrijven krijgen steeds een voet tussen de deur, en nemen daarna het proces over, omdat ze als ‘stakeholder’ geaccepteerd worden. Maar in veel gevallen is de regelgeving juist tegen hen gericht, en moet dat zo blijven. Durven kiezen om ze uit te sluiten dus, ook in het geval dat dat dat betekent dat daardoor besluiten langer zullen duren of moeilijker tot stand zullen komen. Bedrijven kunnen natuurlijk niet weggedacht worden. Waar hun belangen aangetast worden, moet dat met zorg gebeuren, maar ze hebben geen ‘gelijke positie’ als mensen of de natuur.

 

Subsidiariteit. Om te voorkomen dat ‘mondiale regels’ (bijvoorbeeld bij de WTO, maar ook de EU) progressievere lokale regels uitschakelen, en ook uit oog van schaal en empowerment, moet subsidiariteit bovenaan staan. Een discussie waard is hoe dit ook door krachten benut kan worden als de lokale wetten en regels minder progressief zijn. Maar in ieder geval staat dan de basis centraal.

 

Oog voor controle/monitoring en implementatie. Mooi klinkende afspraken zonder garantie dat ze ook afgedwongen kunnen worden, hebben maar beperkt nut. Ze kunnen overigens wel nut hebben als ‘richtinggevende’ tekst (bijvoorbeeld De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens mensenrechten of het ILO-verdrag), maar dan moet het duidelijk zijn dat ze alleen of vooral dat is. In sommige campagnes worden bewust utopische eisen gesteld, omdat die mobiliserend werken en verhelderend zijn voor een vaak complexe situatie. Zie voor belang van monitoring verder de praktijkervaring van de Schone Kleren Kampagne.

 

Empowerment is alles. Lokale groepen en bewoners moeten in staat gesteld wordt om de vastgestelde rechten op te eisen. Als de regelgeving een omgekeerd effect heeft, is die vaak nutteloos. Dat moet dan ook onderdeel van die regelgeving zijn.

 

Een duidelijke visie op ontwikkeling en vooruitgang, die neoliberale en dictatoriale economien uitsluit.

 

En ten slotte: reguleren van lobbyen, structurele aandacht voor greenwashing.

 

Enkele Voorbeelden

 

*) Diagonalisme: Veel basisbewegingen hebben,zoals gezegd, slechte ervaringen met het aan de regeringsmacht helpen van medestanders, die vervolgens hen net zo gaan onderdrukken als degene die daarvoor aan de macht was (en vaak effectiever, omdat ze een verleden delen). Een dramatisch recent voorbeeld is dat van de regering Bachelet in Chili (2006-2010). Zij is een voormalige communiste, maar haar bewind ging door met het hevig onderdrukken van de opstandige inheemse bevolking (Mapuches) in het zuiden van het land. waar Bachelet en veel van haar mederegenten ondergedoken hadden gezeten tijdens de dictatuur…

Tussen het ‘verticalisme’ van vroeger, waarbij het concept uitging van het veroveren van de macht en daarna pas doorvoeren van veranderingen (vgl Nicaragua na 1979) en het horizontalisme van veel basisgroepen uit de globaliseringsbeweging (die fundamenteel argwanend stonden tegen veroverde macht, vgl. ook de Zapatistas en John Holloway’s boek ‘Change the World Without Taking Power *), kwam een praktische variant in de vorm van ‘Diagonalisme’. Dat zou mogelijk zijn in omstandigheden waar de macht wordt veroverd door een partij die daadwerkelijk verantwoording wil afleggen aan de basis. Meest duidelijke voorbeeld is de regering Morales in Bolivia. Die kon alleen aan de macht komen omdat een sterke inheemse basisbeweging dat afdwong, en ook duidelijk maakte dat ze dezelfde middelen tegen hem zouden inzetten als hij zich niet aan zijn beloftes zou houden. Dat ging lang min of meer goed, en leidde onder andere tot de ‘alternatieve klimaattop, met bijbehorende verklaring, in Cochabamba in 2010 (zie http://pwccc.wordpress.com/). Maar toen was ook al zichtbaar hoe problematisch samenwerking is met staatsmacht, ook als die welwillend zegt te zijn.

De gebeurtenissen rond de aanleg van de TIPNIS-snelweg (die overigens mede op aandrang van Brazilië wordt aangelegd voor de transport van sojaschroot…) hebben weer een flinke domper gelegd.

Hoe dan ook, ook in sommige andere landen zijn dergelijke ‘diagonale’ verbanden te zien, en ook soms lokaal, zelfs in Europa.

 

*) Voorstellen van Jubilee South

 

Een goed voorbeeld van omgang met de problematiek van internationale economie en regelgeving, is die van Jubilee South. Bij de millenniumcampagne (1999/2000) was er nog een soort wereldwijde campagne voor het schrappen van schulden, maar die werd naar de mening van veel zuidelijke groepen nogal gedomineerd door kapitaalkrachtige Noordelijke ngo’s die de boel wilden versmallen tot one issue-campagnes en eisen die geen structurele verandering zouden inhouden. Jubilee South is zich daarom afzonderlijk gaan organiseren, en komt in een langzaam en luidruchtig proces van overleg en vergadering tot een aantal ingrijpende eisen, zoals herstelbetalingen voor de schade van kolonialisme en slavenhandel. Ook over de voorwaarden voor schuldenkwijtschelding zijn ze helder: er moet inspraak bestaan over het mechanisme, om te voorkomen dat de verkeerden ervan profiteren en dat het probleem niet opgelost wordt, maar weer van voren af aan begint. (zie voor meer achtergrond hun blog, de oude website hapert zo te zien, http://jubileesouth.blogspot.com/)

 

*) Werkwijze Schone Kleren Kampagne

 

De Schone Kleren Kampagne (SKK, of internationaal: Clean Clothes Campaign, CCC) is een goed voorbeeld van een actiegroep die zich heeft vastgebeten in een onderwerp (arbeidsomstandigheden) en vervolgens is uitgegroeid tot een netwerk met mondiale reikwijdte, en ‘algemene oplossingen’. Ze zijn begonnen in de textielketen, om solidariteit te organiseren met de mensen die uitgebuit worden door of ten behoeve van C&A. Meer dan tien jaar later zijn er afdelingen in veel andere landen, maar is er vooral geleerd wat er in de praktijk wel en niet mogelijk is, en hoe ze om moeten gaan met het bedrijfsleven dat zich altijd verschool achter de ondoorzichtigheid van de productieketen. Een van de lessen van de CCC is dat ze liever niet met keurmerken werken, omdat die meestal alleen maar voor een hoop verwarring en greenwashing zorgen. de CCC mikt op algemene standaards die door de bedrijven aanvaard worden, en daar hoort een indrukwekkend arsenaal van monitoring-instrumenten bij om te checken of ze zich aan de standaards houden. Een tweede belangrijke ervaring van de CCC is dat ze liefst werken met lokale coalities waar de arbeiders en hun organisaties in deelnemen. Als die er niet zijn, heeft het meestal geen zin omdat er geen basis is voor de campagne, en de werknemers alle kanten op gedreigd en gemanipuleerd worden. De CCC werkt bij het ontwikkelen van de standaarden met verschillende sets regels, waaronder die van de ILO.

Dit zijn mijn woorden en conclusies, medewerkers van de CCC zelf zullen het wellicht anders formuleren, maar stellen hun kennis en ervaring graag ter beschikking. zie verder http://www.schonekleren.nl/ of internationaal http://www.cleanclothes.org/

 

*) Campagne boerengroepen.

 

Via Campesina is nog zo’n internationaal netwerk dat veel ervaring heeft opgebouwd met voorstellen voor internationale regelgeving. Hun leden stonden vooraan bij het blokkeren van WTO-vergaderingen en ook zijn ze fel tegen het toestaan van GMO in de landbouw.

Maar ze hebben ook voorstellen voor hoe het wel zou moeten en hebben onder meer hun eigen internationaal recht uitgebracht (Declaration of Rights of Peasants ‐ Women and Men http://viacampesina.net/downloads/PDF/EN-3.pdf). Daarin leggen ze ook verband met bestaande internationale verdragen, bijvoorbeeld: (uit artikel 4)

The struggle of the Peasants is fully applicable to the framework of international human rights which includes instruments, and thematic mechanisms of the Human Rights Council, that address the right to food, housing rights, access to water, right to health, human rights defenders, indigenous peoples, racism and racial discrimination, women’s rights. These international instruments of the UN do not completely cover nor prevent human rights violations, especially the rights of the peasants. We see some limitations in the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights (ICESCR) as an instrument to protect peasants’ right. Also, the Charter of the Peasantproduced by the UN in 1978, was not able to protect peasants from international liberalization policies. The other international conventions, which also deal with peasants’ rights, can not be implemented either. These conventions include: ILO Convention 169, Clause 8‐J Convention on Biodiversity, Point 14.60 Agenda 21, and Cartagena Protocol.

 

Ook Via Campesina stelt zich onomwonden op tegen multinationale bedrijven.

http://foodsovereigntyglobal.blogspot.com/2011/10/farmers-at-committee-on-food-security.html

 

Interessant op dat gebied is ook de internationaal ontwikkelende campagne voor voedselsouvereiniteit. Mij spreekt bijvoorbeeld aan hoe de Britse organisatie War on Want daar in participeert:

http://www.waronwant.org/news/latest-news/17368-food-soveriegnty-report-launched

(zie rapport als pdf: http://www.waronwant.org/attachments/Food%20sovereignty%20report.pdf

De aanpak is duidelijk gericht op samenwerking met lokale basisorganisaties en gericht op de wortels van armoede en honger, niet op de symptomen zoals veel Noordelijke regeringen en ngo’s prefereren, en zéker niet gericht op samenwerking met de bedrijven die voor de ellende zorgen. War on Want is maar een voorbeeld van een ‘solidaire NGO’ die goed begrepen heeft welke aanpak in het Zuiden gewaardeerd wordt, er zijn er natuurlijk veel meer, zoals Food First (http://www.foodfirst.org/).

 

————————–

 

Noten

 

*1) Samen met de Britse sociologe Emma Dowling heb ik een poging gedaan dat proces te beschrijven voor wat betreft het World Social Forum-proces in een boek over ‘knowledge production’ dat in 2010 bij Palgrave uitkwam: Dowling, E. and Hudig, K. (2010) ‘Whatever Happened to the Antiglobalization Movement? Some Reflections on Antagonism, Vanguardism and Professionalization’, in Aziz Choudry and Dip Kapoor eds. Learning from the Ground up: Global Perspectives on Social Movements and Knowledge Production, New York: Palgrave Macmillan.

 

*2) Er is inmiddels ook een hele boekenkast over volgeschreven, waar ik mijn visie deels op bazeer. Ik heb natuurlijk lang niet alles gelezen, maar wel bijvoorbeeld boeken als: Another World is Possible (Popular Alternatives to Globalization at the World Social Forum), Wiliam F Fisher en Thomas Ponniah (eds.) Zed Books 2003 en World Social Forum: Challenging Empires (Sen, Anand, Escobar Waterman) Viveka 2004 En vele anderen, maar baseer me vooral ook op praktijkervaring tijdens vele conferenties en vergaderingen, vaak gelijktijdig met protesten.

Een overzicht van inhoudelijke visie en eisen van veel van de protagonisten van de eerste globaliseringsprotesten, is te vinden in de bundel Restructuring and Resistance (Diverse Voices of Struggle in Western Europe) (Kolya Abramski, eigen beheer uitgave, resresrev@yahoo.com)

 

(*A) Artikel 9: (…) Neither party representations nor military organizations shall participate in the Forum. Government leaders and members of legislatures who accept the commitments of this Charter may be invited to participate in a personal capacity.)(http://en.wikipedia.org/wiki/World_Social_Forum)

 

(*3) Zie bijvoorbeeld The United Nations is Terminally Ill door Ramon Fernandez Duran in Restructuring and Resistance

 

(*4) Zo waren veel radicalere organisaties tegen de Tobin Tax-ideeen op grond van het feit dat dat onherroepelijk een grote pot geld en dus macht op zou leveren, terwijl er geen onderbouwde ideeen waren over mechanismes om dat geld weer uit te geven. Ook is er veel kritiek op de MDG, deels omdat ze uitgaan van BAU, maar ook omdat het gezien wordt als een instrument van systeemondersteunende NGO’s om kritische bewegingen te coopteren.

 

(*5) Deglobalization; Ideas for a New World Economy (Walden Bello, Zed Books 2002)

 

(*6) Global Governance, The Battle over Planetary Power, (Kristin Dawkins, Seven Stories Press 2003)

 

(*7) The UN and Transnational Corporations, From Code of Conduct to Global Compact (Tagi Sagafi-Nejad en John H. Dunning, Indiana University Press 2008)

 

(*) Change The World Without Taking Power (John Holloway, Pluto Press 2002) je kunt het integraal hier vinden: http://libcom.org/library/change-world-without-taking-power-john-holloway

close