Bij alle fraude, wanbeheer en rock and roll-management in grote maatschappelijke instellingen zijn er tot nu toe –naar mijn weten- geen polder- of waterschappen betrokken geweest. Ze zijn het toonbeeld van braafheid. Wat wel eens ontbreekt, is onderhoud aan wat vitale dijken, niet alleen rond 1953, waar ik als Zeeuw direct ervaring mee had. Ook recent nog bleek dat onderhoud soms wel eens wat lang uitgesteld wordt.

 

Dan is het wel anders met anders met de echte financiële wereld. In 1967 maakte ik daar als stagiair op de internationale afdeling van The First National Bank of Chicago (destijds een van de 10 grootste banken in de VS) voor het eerst echt kennis mee. Uit die periode heb ik drie dingen onthouden: politieke druk behoorde tot het normale repertoire. Er werd in die zelfs actief meegewerkt aan het bevorderen van een regeringswissel in een Z. Amerikaans land om een lening terug betaald te krijgen. Tweede voorbeeld, de landelijke maatregelen voor krediet beperking werden omzeild door aan het eind van de maand als de kredietverlening gemeten werd een flink aantal kredieten over te schrijven naar een Londense dochter. Het derde wat ik onthouden heb is Terry, een collega stagiaire. Ze maakte een verwoestende indruk op mij door de combinatie van schoonheid en slimheid én ze was heel leergierig.

 

Met de financiële wereld is het sinds die tijd niet veel beter geworden. Nog steeds worden regeringen met toegelaten en niet toegelaten middelen overgehaald om de zin van de bankiers uit te voeren. Nog steeds worden de grenzen van de wet opgezocht en wordt ook de ruimte daarbuiten verkend om de winstmarges op te krikken.

 

Is dan misschien de Nederlandse poldercultuur een model om een duurzame financiële wereld te organiseren / bereiken?

 

Polderen heeft in de Nederlandse arbeidsverhoudingen veel succes gekend. Het accoord van Wassenaar (in 1982 tussen vakbeweging en werkgevers) is in dit verband een historisch voorbeeld. We kwamen zoals dat destijds heette van de ‘Dutch disease’ (is niet hetzelfde als hollanditis dat ging over kruisrakettenverzet) te veel leven op en van de aardgasbaten én een hoge werkloosheid, terecht in de ‘Dutch miracle’. Jelle Visser en Anton Hemerijck publiceerden hierover een boek onder deze titel. Zij trekken 5 lessen uit de toepassing van het poldermodel:

  1. Herziening van de welvaartsstaat kan niet zonder sociale consensus.
  2. Herziening van de welvaartsstaat is risicovol, met hoge politieke risico’s. Daarom moet er licht zijn aan het einde van de tunnel, ofwel reëel uitzicht op positieve ontwikkelingen (bij het accoord van Wassenaar dus stijgende werkgelegenheid).
  3. De derde les is de les van geduld. Partijen moeten bereid zijn zich voor lange termijn aan afspraken te houden.
  4. Een vierde les leert dat tegenkrachten het eenvoudigst zijn te ontmantelen als hervormers kunnen onderhandelen met de belangen van anderen en toekomstige generaties.
  5. Corporatisme –ofwel nauw samenwerken tussen werkgevers en werknemers- is geen garantie op succes. Door het streven naar unanimiteit kan het overleg vastlopen en zelfs verworden tot een vechtende meute ‘overleg-actoren’1.

 

Deze lessen zijn nog steeds actueel en lijken in hoge mate op een aantal belangrijke uitgangspunten die van toepassing zijn bij de in de mode zijnde transitieprocessen.

Maar alvorens nu juichend de polder in te lopen eerst nog wat van de keerzijde van het polderen:

 

  • Er is sprake van gesloten circuits ons kent ons; gevestigde belangen zijn bepalend. Nieuwkomers worden geweerd.
  • De besluitvorming is van een grote stroperigheid, veel tijd vergende en gevoelige procedures.
  • De gesprekken worden uitsluitend gevoerd met veel meel in de mond. Moet je eens proberen en horen wat dat oplevert.
  • De transparantie is ver te zoeken.
  • Veel tijdelijke oplossingen worden bereikt door ze in commissies deponeren.

Tot slot:

  • Polderen leidt niet tot systeemwijzigingen. Het is eerder een bevestiging van het naoorlogse compromis over de welvaartsstaat.

 

Als we nu proberen om ons polderen geactualiseerd en verbeterd in een transitieproces toe te passen op de financiële wereld en de banken in het bijzonder dan vallen meteen een paar zaken op:

  • De bankenlobby is buitengewoon sterk en effectief
  • De internationalisering is vrijwel 100%.
  • Men probeert altijd gaten te vinden in het systeem.
  • M.a.w. als een verandering niet in het belang van het financiële systeem is, zal de verandering niet doorgaan of ten principale gefrustreerd worden.

 

Een voorwaarde voor een transitietraject is het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie. Kunt u het zich voorstellen Gerrit Zalm of Jan Hommen op weg naar duurzaamheid? Het transitietraject lijkt hiervoor niet geschikt.

 

Niet minder eenvoudig overigens zit het met de politieke macht die dergelijke veranderingen zou moeten initiëren en handhaven. De politieke macht is de laatste decennia vooral bezig geweest om ruim baan te geven aan de markt. Die ideologie waarin de heilstaat wordt omgebouwd tot heilmarkt wordt nog steeds uitgedragen. De politiek zaagt zijn eigen stoelpoten onder zich weg. Trivialisering van de politiek noemt Paul Kalma2 dit proces.

 

Laten we onze inspanningen maar richten op het ontwikkelen van eigen geld- en banksystemen. Munten die van ons zelf zijn en banken waar we iets over te zeggen hebben.

Hebben we trouwens eigenlijk wel iets te zeggen over ASN en Triodos? Zij hebben een goede koers, maar hebben wij er ook iets in te brengen? Dat is een vraag die ik hier tot slot wil deponeren.

 

Hoe het verder gegaan is met Terry? Een beschaafd iemand speculeert niet en publiek over oude liefdes. Een beschaafde cultuur zou alle vormen van speculatie moeten verbieden.

 

Dan u wel.

 

John Huige 060312

1 Ontleend aan een verslag van een seminar van de UvA: Robert Giebels, Van ‘Dutch disease’ naar ‘Dutch miracle’, Amsterdam 1997. Jelle Visser en Anton Hemerijck, Dutch miracle, Jobgrowth, welfare reform and corporatism in the Netherlands; 1997.

2 Volkskrant 030312