Er gaat meer geld van arme landen naar rijke landen dan andersom. Dat bevestigt ook Farah Karimi, directeur van Oxfam Novib, in dit interview voor De Grote Transitie. Behalve rentebetalingen en aflossingen van vaak al heel oude schulden, is een belangrijke oorzaak belastingontwijking door multinationals. Ze reduceren hun winsten in de ontwikkelingslanden waar ze actief zijn tot bijna nul, en laten, door slim te handelen tussen verschillende van hun dochterbedrijven, die winsten vallen in belastingparadijzen. In de ontwikkelingslanden betalen ze dan geen belasting omdat ze er geen winst maken, in de belastingparadijzen betalen ze geen, of nauwelijks, belasting omdat het een belastingparadijs is.

Een rapport van Oxfam Novib van een paar jaar geleden laat zien dat ontwikkelingslanden alleen al door de activiteiten van Nederland als belastingparadijs op deze manier zo’n € 460 miljoen per jaar aan belastinginkomsten mislopen. Minister Ploumen erkent dat dit ongewenst is, want ze onderhandelt met 23 ontwikkelingslanden om de bilaterale handelsverdragen die deze ontwijking mogelijk maken te herzien. Een eerste vraag daarbij is of het helpt: de verdragen krijgen een clausule die zegt dat multinationals er geen misbruik van mogen maken. Gaan ze zich daaraan houden, en wat gebeurt er als de brievenbusmaatschappijen in Nederland gebruikt blijven worden om belasting te ontwijken? De tweede vraag is waarom maar 23 verdragen herzien worden, als de minister toegeeft dat ze in de huidige vorm ongewenste effecten hebben. Hebben de verdragen met de overige landen die effecten niet, of moeten ze er maar tegen kunnen? De conclusie kan zijn dat een klein deel van het probleem halfhartig wordt aangepakt.

In de OECD, de club van rijke landen, wordt wel gepraat over maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan, want ook die rijke landen zelf lijden er onder. Ook vanuit de publieke opinie neemt de druk toe om er wat aan te doen, zoals blijkt uit de discussies rond Google, Apple en Starbucks. Het blijft wel steeds de vraag in hoeverre de belangen van ontwikkelingslanden in eventuele maatregelen worden meegenomen, want ze mogen in elk geval nergens over meepraten. Dat constateerde ook het ‘High Level Panel on Illicit Financial Flows from Africa’ dat vorig jaar, onder voorzitterschap van Thabo Mbeki, de geldstromen vanuit Afrika in kaart bracht. En het geldt ook voor de gesprekken over uitwisseling van gegevens tussen belastingdiensten om zwart geld op te sporen dat in het buitenland gestald is. De rijke landen willen gegevens uitwisselen om zo meer belasting binnen te halen, maar Afrikaanse landen zouden daar alleen aan mee kunnen doen als ze zelf ook gegevens aanleveren, terwijl ze daar over het algemeen niet de infrastructuur voor hebben, en er trouwens ook nauwelijks zwart geld uit rijke landen op Afrikaanse banken zal staan. Wel heeft Gabriel Zucman in zijn boek ‘Belastingparadijzen’ becijferd dat Afrikanen voor $ 120 miljard aan zwart geld alleen al op Zwitserse banken hebben staan.

Er is dus alle reden om ontwikkelingslanden volwaardig mee te laten praten over de manieren om belasting ontwijking en belastingontduiking tegen te gaan, en om vervolgens maatregelen te nemen waar alle landen van profiteren, niet alleen de rijke. Arme landen hebben de gemiste inkomsten veel harder nodig.