Lezing van John Huige bij de Circular Economy Hotspot van de Dutch Design Week 2014.

De visie op de circulaire economie heeft af en toe trekken van een panacee, een wondermiddel om de economie en het milieu uit het slop te halen. Als alles maar circulair gaat, dan komt het wel goed. Ik maak daar wat kritische kanttekeningen bij aan de hand van de ideevorming over markten en marktmacht. Hoe beïnvloedt dat de verdere ideevorming over de circulaire economie? En wat is de mogelijke rol van de creatieve industrie daarbij?

Als theoretisch uitgangspunt voor de werking van markten wordt meestal teruggegrepen op de fameuze woorden van de Schotse moralist Adam Smith. Ondanks vele publicaties over de werking van markten blijft deze metafoor toch hangen als een fenomeen dat zich in werkelijkheid voordoet. Het wordt vertaald in de slogans van de neoliberalen, vanaf de jaren tachtig gepropageerd door Thatcher en Reagan: dat de markt zo vrij mogelijk moet zijn, omdat de markt zichzelf zou reguleren en zou leiden tot een optimale economische situatie. De markten hebben in hun ogen, en in die van hun adepten, altijd gelijk. Op dat gelijk hebben van markten is het aan Thatcher toegeschreven TINA-syndroom gebaseerd: ‘There Is No Alternative’. Inmiddels is de invloed van dit neoliberale denken zo in het westerse denken doordrongen dat je kan spreken van ‘embedded neoliberalism’. De enorme gevolgen van deze vrijemarkt-ideologie zijn niet moeilijk uit te tekenen: een economische versnelling van de mondiale handel leidt tot het versneld opraken van grondstoffen en overheden die zich zo min mogelijk bemoeien met de markten komen er ook niet toe grenzen te stellen aan het gebruik van fossiele energie, waardoor de CO2 – uitstoot onbelemmerd door kan gaan. Door een volstrekt onbegrip over de feitelijke werking van markten wordt nota bene een markt voor CO2-rechten ingericht die niet werkt. Een andere enormiteit van het vrijer maken van markten is de explosie van de financiële markten. Er is inmiddels vele malen meer geld beschikbaar dan nodig is voor het reële productieproces. In een bijna afgerond boek dat ik schrijf met Joost Smiers en Pieter Pekelharing noemen we het convergeren van doelen van grote ondernemingen, van overheden, van banken en van andere (ook internationale) instituties: het corpocratisch complex. Dit complex geeft perverse prikkels aan de economische ontwikkeling. De belangrijkste is wel dat alle onderdelen van dit systeem gebaat zijn bij groei. Als spreekwoordelijk handenwrijvende Scrooges komen de supergrote ondernemingen als winnaar uit de bus.

Een belangrijk uitgangspunt om meer invloed te krijgen op dit complex is het zichtbaar maken van deze elkaar versterkende factoren van de werking van de markt. Op zich ben ik zeker niet tegen een markt. Van de bekende econoom Amartya Sen is de uitspraak: ik heb niets tegen markten; dat zou net zo dwaas zijn als bezwaren tegen conversatie hebben.

We moeten dus andere ingangen vinden om over markten na te denken. Markten zoals deze nu bestaan zijn geen natuurgegeven. Het recht van de sterkste is geen natuurrecht. We kennen in de ecologie predatie, maar ook samenwerking. We zien hoe naast parasitaire systemen efficiënte symbiose tot stand kan komen. In de designwereld, maar ook in meer technische ontwerpen wordt steeds meer gewerkt met biomimicry. Het nabootsen van natuurlijke modellen in eigentijdse toepassingen, zoals het gebruik van de principes van een olifantenslurf in een robotmechanisme, of de draaiing van een schelp voor een pompmechanisme. Nieuwe manieren van samenwerken in markten zien we steeds vaker. Het meest voor de hand liggend en daarmee ook het meest voorkomend is wel de coöperatie. Hierbij gaat het vaak maar om één organisatie in (een deel van) een markt. Direct gericht op de inrichting van markten zijn de ideeën van Nobelprijs winnende economen. Van de Amerikaanse econoom Maskin is de ‘mechanism desing theory’. Hij keert daarin de markt en daarmee wereld op zijn kop. We gaan niet meer uit van de markt als een zwarte doos met een onzichtbare hand daarbinnen als sorteermechanisme, maar we gaan in deze theorie uit van de gewenste uitkomst op een markt. En op grond van die doelen worden instituties en regels ontworpen waarbinnen markten moeten functioneren. Een andere belangrijke bijdrage aan het denken over markten komt van de Fransman Tirole. Zijn belangrijkste stellingen zijn: tem de macht van de grote concerns en houd er goed rekening mee dat elke markt anders is en dus specifieke regels daarvoor noodzakelijk maakt.

Markten veranderen nu al en ook in de bedrijfsmodellen zien we nieuwe mogelijkheden opduiken. Het nieuwe delen kent al vele voorbeelden van Airbnb voor kamerverhuur tot Peerby voor het delen van een boor of een ladder in je buurt. We zien een overgang van het verkopen van artikelen naar het verkopen van diensten (licht i.n.v. lampen en geleasde vloerbedekking i.p.v. gekochte). Airbnb is overigens een mooi voorbeeld van een ander relatief nieuw marktfenomeen: ‘winner takes all’. De onderneming die het eerst komt met een goed nieuw product krijgt meteen een groot deel van de markt in handen.

Daarnaast is een nieuw debat ontstaan of we er wel goed aan gedaan hebben om onze utiliteitsbedrijven (gas, water, licht) te privatiseren en los te laten op de grillen van de markt. Over banken is er een discussie of we niet toe moeten naar regionale spaarbanken. Er ontstaan discussies over een beperking van de oligopoliemacht van de grootste ondernemingen. In het verleden (1911) is in de USA Standard Oil opgedeeld op bevel van de rechter omdat sprake was van een monopolie. Ook de schier onbeperkte vrijheid van grote internationaal opererende bedrijven om de winst daar te laten ontstaan waar de controle het slechts is en de belasting het geringst wordt als model steeds minder houdbaar geacht. Een van de middelen om dit aan te pakken is ‘country-by-country-reporting’, voorschriften om precies aan te geven in welk land waarde gecreëerd wordt en dus navenant belastingplichtigheid ontstaat. Andere middelen om markten te sturen liggen in de fiscale sfeer. Hef belasting op het gebruik van oorspronkelijke grondstoffen en bevoordeel hergebruik. Hef meer belasting op de consumptie van goederen en minder op arbeid, waardoor er markten – meer op reparatie en op samen delen – ontstaan. Door speciale ondernemingstypen te creëren – zoals de social entreprise of de benefit corporation – komen bestaande alleen op maximale winst gerichte markten onder druk.

De circulaire economie is een noodzakelijke maar onvoldoende voorwaarde om tot werkelijke duurzaamheid te komen; laat staan tot een ‘steady state economy’. In de literatuur en de praktijk van de circulaire economie wordt veel aandacht gegeven aan de materialen en sectoren waarin de circulaire economie kan werken. De Ellen MacArthur Foundation is met behulp van het adviesbureau McKinsey zeer actief op dit gebied; daarin gesteund door de grote transnationale ondernemingen als Philips en Unilever. Deze stichting noemt vier materiaalcategorieën die voor de circulaire economie erg belangrijk zijn:

  • golden oldies als glas en papier;
  • high potentials als polymeren;
  • rough diamonds als voedselafval;
  • furure blockbusters als 3D-printing.

Opvallend (?) is de afwezigheid van enige sociale of maatschappelijke categorie. Wat mij betreft heeft de circulaire economie pas echt waarde en zal zij leiden duurzame en ecologisch houdbare economie als er ook vier sociaal-maatschappelijke categorieën worden toegevoegd:

  • kennis delen door transparantie en toegankelijkheid;
  • coöperatief werken door markten de delen en de supergrote ondernemingen op te delen;
  • goederen delen door te werken met rechtvaardige prijzen, meer te ruilen en overschotten om niet beschikbaar te stellen;
  • patenten zijn stollingsplaatsen van de innovatie, door open source te werken krijgt creativiteit een grotere kans.

Belangrijke kenmerken van circulaire economie zijn vaak de technisch complexe puzzels die opgelost moeten worden om alle productieprocessen goed georganiseerd te krijgen. De productieketens zijn hecht, anders werkt het niet en vereisen een goede samenwerking. Deze systeemvereisten zijn in het voordeel van ondernemingen met veel marktmacht. Deze complexiteit en werking in de markt maken de circulaire economie ook kwetsbaar. Het brengt stugheid in het systeem waardoor de veerkracht minder wordt. In die zin doet de ontwikkeling van circulaire processen doen soms wel een beetje denken aan het Engelse spreekwoord over de olifant in de kamer: iedereen weet dat hij er staat, maar niemand heeft het erover. De duurzame en ecologische economie is juist gebaat bij veerkracht en bij een minder grote marktmacht van een beperkt aantal grote ondernemingen. Veerkracht immers heeft drie belangrijke kenmerken:

  • crisisbestendig; kan het een grote economische recessie aan?
  • is er sprake van zelforganisatie en leervermogen; zelf een nieuwe bank oprichten is nagenoeg onmogelijk en de grote banken geven nog geen blijk ervan iets geleerd te hebben
  • in staat zijn tot veranderen en aanpassen is meer gegeven aan kleinere eenheden; aan minder verbruiken dan een hergebruiken.

De ontwikkeling van C2C (cradle-to-cradle) – in plaats van een product dat eindigt op een afvalstortplaats kunnen we de onderdelen hergebruiken – en de vervolmaking van dit idee in de circulaire economie is erg belangrijk voor het bereiken van duurzaamheid. Maar het is een idee en een praktijk die gebaseerd is op afzonderlijke grondstoffen- en energiestromen. Het is geen maatschappelijk samenhangend systeem. Het leidt tot relatieve ontkoppeling. Dat wil zeggen het leidt tot een lagere milieudruk per eenheid product. Voor een duurzame en ecologische economie is absolute ontkoppeling nodig. De afname van materiaalgebruik, energie en vervuiling is in deze situatie groter dan de groeivoet. Ook de ontwikkeling van een regionale economie is niet aan de orde, terwijl een regionale economie juist mensen meer betrekt bij de economische en sociale mogelijkheden; minder transport nodig heeft; meer kansen heeft voor goede samenwerking tussen ondernemingen en de markten overzichtelijk houdt. Het vereist een ander maatschappijbeeld dan dat van de neoliberalen. Het vereist een maatschappelijk systeem waarin niet marktmacht leidend is, maar duurzaamheid en solidariteit.

Design is een onderdeel van de creatieve industrie. Deze industrie is erg belangrijk en neemt in belang toe, zeker als we duurzaamheid als belangrijk maatschappijdoel hebben. Creativiteit is een sleutelbegrip bij duurzame ontwikkeling. Het gaat immers over anders denken, systeemdenken, herdenken, ongeremd denken en andere kernvaardigheden van creatieven. Wanneer de esthetiek van ontwerpers mede bepaald wordt door de milieugebruiksruimte, door circulair en door afkeer van de wegwerpcultuur, dan zullen andere ontwerpen gemaakt worden. Er kan sprake zijn van innovatieve beïnvloeding in ‘cross overs’ met andere disciplines en ondernemingen. Ook de wijze waarop creativiteit gedeeld en verspreid wordt is belangrijk. Open source draagt bij aan snelle verspreiding van bijvoorbeeld 3D printing. Stilstaan bij de dingen waar we van leren – belangrijk voor veerkracht en voor transities – hoort bij creatieve vernieuwing. Tenslotte wil ik graag de groeiende belangstelling voor de nieuwe ambachtelijke creativiteit noemen als belangrijke ontwikkeling.

Agenderen is een belangrijk actiemiddel om veranderingen in gang te zetten; gewenste veranderingen een plaats geven op de agenda van onderwijsinstellingen, van (regionale) bestuurlijke organen, op de agenda van strategisch ondernemingsbeleid. Agenderen leidt tot actie.