‘We moeten een eind maken aan de brandende onrechtvaardigheid in ons land’ is de boodschap van de nieuwe Britse premier Theresa May. Dit voornemen is tijdens de Brexit-campagne weinig gehoord. Het is ook een voornemen dat van Nederlandse centrumpolitici heel zelden gehoord wordt. Het valt niettemin toe te juichen, want het is een belangrijke achtergrond van de onvrede onder de bevolking zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Nederland als in de rest van de wereld. Het is niet ook toevallig dat veel algemeen gehoorde bezwaren tegen de Haagse politiek en tegen de EU die van de Brexiteers vrijwel overlappen.

Nu wordt er veel geschreven en gesproken over de achtergronden van die politieke bezwaren en van Brexit, maar meestal wordt daarbij een enkel punt belicht – zoals migranten of de macht van ‘Brussel’, of zoals in dit geval de inkomensongelijkheid. Een tweede bezwaar is dat veel meningen niet gestaafd worden door feiten en langzaam uitgroeien tot mythes.

De combinatie van enkelvoudige analyses met mythes geeft een brisant mengsel. Welke ingang men ook kiest: in alle gevallen gaat het om een langzaam opgebouwde lijst bezwaren, die uiteindelijk heel wat onderdelen kent en die bij onveranderd beleid onherroepelijk tot (verdere) chaos leidt. Dat er in die lijst een systemische samenhang zit wordt zelden onderkend. Die systemische samenhang maakt het ook zo moeilijk om op onderdelen het systeem te wijzigen. Ondertussen neemt de chaos toe en wordt de energie in het systeem steeds meer inert.

De lijst die ik bedoel kent vier kernelementen. Deze heb ik ook steeds weer onderverdeeld in vier onderdelen.

  1. We zitten opgescheept met een ideologie – waarvan de ontwikkeling begon in de jaren tachtig – met marktfundamentalisme als basis. Veel gebruikt is de wat positiever aandoende term neoliberalisme. Deze situatie is in veel artikelen en debatten steeds meer aan kritiek onderhevig, maar een echt debat over de negatieve uitwerking wordt nog niet echt gevoerd. Volgens Marx is de dominante ideologie een waardensysteem. De waarden van dit systeem kunnen worden aangeduid met vier centrale begrippen:
    1. Laat zoveel mogelijk aan de markt over, dan komt er vanzelf een ‘logische ordening’. Daar zorgt de fameuze onzichtbare hand voor.
    2. In die ordening staat economische groei als oplossing voor alle problemen centraal. Koop toch eens een nieuwe auto beveelt Rutte aan, dan zal het met de groei weer ‘in orde’ komen. Het gaat voor alle duidelijkheid om de groei van het Bruto Binnenlands Product. Een statistisch middel dat alleen monetaire transacties meet en niet wat bijvoorbeeld mensen voor elkaar doen.
    3. In de neoliberale visie is rol van de overheid zo klein mogelijk. Ingrijpen van de overheid verstoort de marktwerking; verhoogt de prijzen en is dus niet efficiënt. Wanneer de groei niet op gang komt, dan moeten elementen die het marktmechanisme verstoren, zoals regels op de arbeidsmarkt, zo veel als mogelijk worden afgebroken.
    4. Dat houdt ook in dat de daling van overheidsinkomsten door lagere of negatieve groei alleen kan worden opgevangen door te bezuinigen op overheidsuitgaven. In de EU wordt nog altijd gewerkt met dit soort – op eenzijdige modellen gebaseerde – sigarendoosjeswijsheden met als gevolg vicieuze cirkels.
  2. De gevolgen van het neoliberalisme kennen ook een achterkant. Marktfundamentalisme heeft grote gevolgen voor de sociale staat van de economie. Deze bestaat, naar de titel van het boek van Saskia Sassen, uit uitstotingen (expulsions). Grote delen van de bevolking worden uitgestoten uit een eerder samenhangende veel meer solidaire maatschappij. Ook hier vier kernelementen.
    1. Om te beginnen is het gedaan met het recht op veilige en stabiele arbeid. De verzamelterm voor deze ontwikkeling: precarisatie van arbeid. De enorme toename van de zzp’ers, de flexibilisering van contracten en steeds minder vaste aanstellingen. Het is in de kern een arbeidssituatie met systemische onzekerheden.
    2. Precarisatie is ook nauw verbonden met het sociale zekerheidsstelsel. De afbraak van de veiligheden van de welvaartsstaat gaat onverminderd door. Het gaat om uitkeringen rond werkloosheid, rond handicaps en rond alle aspecten van de zorg. De toekomst wordt een systematische uitholling van verworven rechten, waardoor de komst van vluchtelingen of migranten al gauw leidt tot gevoelens van bedreiging; vermeende of echte bedreigingen zijn dan hetzelfde.
    3. De groei van de bastaardeconomie. De term is ontleend aan Gabor Steingart. In het kort komt het op het volgende neer: overheid beschermt de banken; de banken beschermen de overheid. De enorme steunprogramma’s voor de Griekse economie waaraan de EU en haar lidstaten zo schijnbaar contre coeur aan meewerken zijn in belangrijke mate steunprogramma’s voor de systeembanken in Noordwest Europa. Sommige banken worden tijdelijk opgekocht door staten, maar daarna weer vrolijk vrijgelaten voor business as usual en met flinke lobby om de vrijheden van de financiële wereld niet aan banden te leggen.
    4. De toename van inkomens- en vermogensongelijkheid is sinds de publicatie van Piketty in 2013 weer onderwerp van debat, maar voordat het op de politieke agenda staat zijn nog een paar stappen te gaan. De verlaging van de arbeidsinkomensquote en de toename van de kapitaalinkomensquote is een proces dat met het verbreiden van het neoliberalisme begon. Wilkinson en Pickett en in het verlengde daarvan ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wezen op de negatieve sociale gevolgen van de inkomensongelijkheid; geringere kansen in het onderwijs, een lagere status van vrouwen, de geringere levensverwachting, de grotere kans op psychische klachten en nog veel meer. Al die verslechteringen wijzen op een toekomst waarbij het eerder slechter dan beter zal gaan. In de komende tien jaar zal – bij ongewijzigd beleid – 70 tot 80% van de bevolking er in inkomen niet op vooruit gaan zo stelt McKinsey in het rapport Poorer than their parents.
  3. De verminderde werking van de democratie en de handhaving van mensenrechten geven mij meer zorgen dan de geringe economische groei. Het zijn de waarden die we trots uitdragen in onze internationale betrekkingen maar die ook een flinke klap hebben gekregen van de neoliberale mallemolen.
    1. Het gaat allereerst om de geloofwaardigheid van de Ruttes van deze wereld. Er wordt, zeker als het om EU zaken gaat, steeds met twee monden gesproken; een voor het eigen land en een waarmee in Brussel afspraken gemaakt worden. We hebben minder behoefte aan slimme politieke strategietjes, maar aan meer democratie. Een democratie waarbij we ervan overtuigd zijn dat onze stem er toe doet. ‘Referendums and elections are both arcane instruments of public deliberation. If we refuse to update our democratic technology, we may find the system is beyond repair; 2016 already risks becoming the worst year for democracy since 1933’ is een recente uitspraak van David van Reybrouck in The Guardian.
    2. Met de afname van de mogelijkheden van de overheid om in te grijpen in de economie – minder regulering en meer privatisering – wordt de invloed van de megaondernemingen op de politiek allengs groter. Lobbyisten schrijven concept-wetsteksten en vinden altijd gewillige oren. In Brussel zijn er naar verluid 30.000. In Den Haag zijn er zeven op elke parlementariër. De veertien grote natuur- en milieuorganisaties hebben samen 3 mensen.
    3. Politiek speelt zich af op een vierkante kilometer in Den Haag. Daarbuiten bestaat geen politieke werkelijkheid. In systemische termen kun je spreken over het zelfreferentiële karakter van de politiek. Met andere woorden de politiek heeft alleen zich zelf als referentiepunt. Kritiek van buiten doet er niet toe.
    4. De rol van media wordt steeds belangrijker. Maar sociale media, en in toenemende mate ook reguliere populaire media, staan niet garant voor feiten. Alleen de publicatie en het geciteerd worden telt. Hoe grover de verwoorde boodschap hoe vaker de retweet.
  4. Politici die het niet weten lijken zeldzaam. Toch is dat zo als we nagaan wat de lange termijn plannen van politieke partijen zijn. De politiek is gefixeerd op de volgende verkiezingen. Het ‘grote verhaal’ ontbreekt. Dat is zeer schadelijk voor natuur- en milieudoelen.
    1. Dat roept de klemmende vraag op: hoe kun je mensen mobiliseren als er geen duidelijk nastreefbaar toekomstbeeld bestaat? Dat geeft ruimte voor uitspraken van politieke avonturiers.
    2. Een tweede vraag in dit vlak is: hoe kun je mensen mobiliseren als de maatschappij voor hen onoverzichtelijk is. De socioloog Zygmunt Bauman constateert dat de maatschappij zo snel verandert dat er geen tijd is om nieuwe routines en nieuwe gewoontes te ontwikkelen.
    3. Dat maakt het erg lastig om onze Europese verworvenheden – waaronder vrij verkeer van personen (!) – beter over het voetlicht te krijgen.
    4. Ngo’s zijn het logische maatschappelijke tegenwicht tegen de neoliberale tsunami, tegen verdere uitsluitingen en tegen het democratisch tekort. Ze kunnen nieuwe positieve energie brengen in het vastgelopen en chaotische systeem. Maar, hoe voorkomen we dat progressieve ngo’s vooral met hun eigen voortbestaan en onderscheidend karakter bezig moeten zijn. Politieke partijen krijgen sloten subsidies, ngo’s moeten het doen met loterijgelden en krimpende contributie inkomsten. Van de winstbelasting van één multinational die niet langer belasting ontduikt kunnen prachtige plannen gemaakt worden. Het is tijd voor een nieuwe mobilisatie en voor meer samenwerking.

In het debat over Brexit, maar ook als het in Nederland gaat over Europa, komen steeds afzonderlijke en meestal zeer uiteenlopende problematieken aan de orde. De ene keer de Euro, de andere keer de ‘Brusselse’ bureaucratie, of mythes als de kromme komkommer. Het zijn uitingen van maatschappelijke tegenstellingen, waarbij de tegenstelling niet maatschappelijk geduid wordt (bv in belangen van werkgevers en werknemers of in belangen van boeren en natuur) maar gericht wordt op uitingen van de EU. Dat maakt dat het EU-debat een moeilijk te winnen wedstrijd is. De systemische samenhang tussen al de hierboven beschreven elementen maakt dit nog extra complex. Politiek bedrijven betekent dan tegelijk de brede invalshoek en de onderwerp-specifieke aspecten in de gaten houden. Dat vergt strategisch denken en handelen. Dat vereist ook een hoge mate van transparantie om duidelijk te maken vanuit welke positie gehandeld wordt. Daarbij geldt ook dat er vaak sprake is van meerdere actoren, op meerdere niveaus en in onderscheiden tempi. In de transitieleer is dat al langer een belangrijk gegeven. Geen simpele verhalen dus, maar knap moeilijk. Het zal zeker weer makkelijker worden als we hier een nieuwe gewoonte van maken.

John Huige is politiek econoom, coauteur (met Joost Smiers en Pieter Pekelharing) van het eerder dit jaar verschenen boek: De Macht van de Megaonderneming en lid van het Platform duurzame & solidaire economie.