Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben aardig wat omwentelingen plaatsgevonden. Bijvoorbeeld de technologische revolutie, vele nationale onafhankelijkheidsbewegingen en revoluties, de tweede feministische golf, de globalisering, de bevolkingsexplosie, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de digitale revolutie, om maar enkele te noemen.

Wat onderschat wordt is het belang van de enorme toename van en veranderingen in het onderwijs. Het analfabetisme is in de meeste landen grotendeels uitgeroeid, alhoewel er nog steeds sprake is van teveel laaggeletterdheid. De deelname aan basis- en vervolgonderwijs en ook aan hoger onderwijs is sterk gegroeid, en vele beroepen zijn verwetenschappelijkt.

Deze ontwikkelingen zijn zeer bewust nagestreefd vanuit regeringen en internationale organisaties. Het verhogen van het onderwijsniveau van de bevolking werd zeker sinds de jaren veertig als een van de belangrijkste maatschappelijke doelstellingen vastgesteld. Het recht op onderwijs, tot op het niveau van het academisch onderwijs, werd verankerd in vele documenten als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Deze vooruitgang werd zeker in Nederland breed gedragen, door alle belangrijke politieke en religieuze stromingen. De uitdrukking ‘verheffing van het volk’ werd ook op onderwijsgebied gebruikt als belangrijke motivatie. Daarbij kan de ontwikkeling sinds 1945 van de welvaartsstaat als richtinggevend sociaaleconomisch model genoemd worden, waardoor het ook als een belangrijke overheidstaak werd gezien om initiatieven te nemen tot verruiming van de onderwijsmogelijkheden inclusief de financiering daarvan.

Merit = IQ + effort

Daar kwam nog iets bij. Veel van de sociale en politieke bewegingen die in Nederland dragers waren van het welvaartsmodel, zagen in onderwijs ook een mogelijkheid om de sociale verhoudingen te veranderen. Was tot dan sociale afkomst een belangrijke zo niet beslissende factor om in de samenleving leidende posities in te nemen, nu werd gehoopt en verwacht dat dankzij al die onderwijsmogelijkheden voor iedereen persoonlijke kwaliteiten doorslaggevend zouden worden. En de meest genoemde persoonlijke kwaliteiten waren: intelligentie, en iemands eigen inspanningen om vooruit te komen.

Voor iedereen zou het mogelijk worden om iets te bereiken in de samenleving overeenkomstig die kwaliteiten. Niet meer zou gelden: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit een kwartje’, zoals cabaretier Louis Davids vóór de oorlog zong. En daarmee werd het democratisch ideaal nog dichterbij gebracht. Iedereen gelijke kansen. Michael Young vatte dat als volgt samen: ‘Merit = IQ + effort’. Vandaar de uitdrukking ‘meritocratie’.

Boek 'Meritocratie' Wat is daarvan terecht gekomen? Is de Nederlandse samenleving nu echt meritocratischer geworden? Om die vraag te beantwoorden is dit jaar bij de Amsterdam University Press een belangwekkende studie verschenen onder de titel Meritocratie – Op weg naar een nieuwe klassensamenleving?, samengesteld door Paul de Beer en Maisha van Pinxteren.

Met een grote hoeveelheid van gegevens wordt aangetoond dat vanuit meritocratisch oogpunt gezien veel bereikt is. De deelname aan het vervolg- en hoger onderwijs is enorm gegroeid, in velerlei opzichten. En dan hebben wij het over de deelname uit alle sociale klassen. Dat zijn resultaten die slechts mogelijk waren dankzij de omvangrijke inzet van financiële middelen door de overheden. En natuurlijk ook door de sterk toegenomen welvaart en sociale zekerheid die het ook voor gezinnen met lage inkomens gemakkelijker maakten dat hun kinderen konden gaan doorleren. En daarmee zijn er meer mogelijkheden ontwikkeld om door te stromen vanuit lagere sociale posities naar hogere.

De nieuwe politicus

Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in de landelijke politiek. Om minister of Kamerlid te worden speelt afkomst nauwelijks nog een rol. Het zijn allemaal mensen met de hoogste diploma’s. Afkomst is vervangen door opleiding. Het is niet meer een aristocratische elite die regeert maar een meritocratische. En deze mensen zijn afkomstig uit alle lagen van de bevolking. Dat zien wij in alle beroepen. Dat is op zich een positieve ontwikkeling.

Nature and nurture

Maar als wat nauwkeuriger gekeken wordt naar de beschikbare gegevens, dan geeft dat mij aanleiding tot minder positieve bespiegelingen. Blijkt bijvoorbeeld dat afkomst wel degelijk een belangrijke rol blijft spelen. Maar dan een afkomst die verschilt van de oorspronkelijke aristocratische bronnen van macht. Intelligentie blijkt tot op zekere hoogte erfelijk. Bovendien zijn de omstandigheden waaronder kinderen van hoogopgeleiden opgroeien, voor hun verdere ontwikkeling veel beter dan die van laagopgeleiden.

In de gezinnen van de hoogopgeleiden is een grotere deelname aan allerlei culturele terreinen. Ook zijn hoogopgeleide ouders op onderwijsgebied meestal actievere en bekwamere begeleiders van hun kinderen dan laagopgeleiden. De milieus van die gezinnen verschillen dikwijls ook sterk in taalvaardigheid, zeker de taalvaardigheid die er toe doet, bijvoorbeeld ‘correct’ Nederlands spreken en de omvang van de woordenschat.

Veel van de hoogopgeleiden hebben een grote spreekvaardigheid mede dankzij hun eigen milieus van afkomst en de activering die uitgaat van manieren van omgang met elkaar tijdens de universitaire studie. En van niet te onderschatten betekenis zijn activiteiten als voorlezen en lezen. Kortom, nature en nurture vervullen beide belangrijke functies voor de ontwikkeling van kinderen.

Belangentegenstellingen

Daar komt bij dat er aanwijzingen zijn dat de hoogopgeleiden goed voor zich zelf weten te zorgen. Zij behoren meestal tot de hogere inkomensgroepen, wonen in de ‘betere’ buurten, hebben betere arbeidsvoorwaarden als een vaste baan, hebben het meeste bezit, domineren in de politiek, hebben minder kans op werkloosheid, worden ouder en genieten langer van hun pensioen, en maken overmatiger dan andere sociale groepen gebruik van publieke en publiek gefinancierde voorzieningen als theaters en musea. En dat versterkt in hoge mate de mogelijkheden voor creatie van de noodzakelijke voorwaarden voor de ontwikkeling van hun kinderen.

Hoogopgeleiden zijn ook veel meer kosmopolitisch georiënteerd: de wereld is hun referentiekader en markt van kansen. Dit in tegenstelling tot laagopgeleiden die veel kwetsbaarder zijn voor de gevolgen van de globalisering, bijvoorbeeld de toegenomen concurrentie op de lokale arbeidsmarkten, de verplaatsing van producties naar lagelonenlanden, en de komst van migrantengroepen in volkswijken. Daar komt bij dat steeds meer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkten, verdringing van lager opgeleiden door hoger opgeleiden: 30 % van de academici werkt op een te laag niveau, 80 % van de werkenden in de elementaire beroepen zijn te hoog opgeleid.

Hoog en laag hebben niet alleen verschillende belangen maar spreken ook een andere taal. En als iemand ‘faalt’ in zijn meritocratische ontwikkeling dan loopt hij kans het stempel van ‘eigen schuld’ opgedrukt te krijgen. Er is een groot wantrouwen gegroeid ten aanzien van hoogopgeleiden. Dat alles zou wel eens een doorslaggevende betekenis kunnen hebben voor de opkomst en stabilisatie van het populisme.

Diploma-democratie

Kortom, er zijn duidelijke belangentegenstellingen tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden. En ook culturele verschillen. Wie beschikt wel of niet over de taalvaardigheid en presentatiekwaliteiten die tegenwoordig worden verondersteld voor het vervullen van politieke ambten? Niet voor niets heeft de uitdrukking ‘diploma-democratie’ opgang gemaakt. De samenstelling van de Kamers en van andere vertegenwoordigende instellingen is opnieuw geen afspiegeling van de samenstelling van de bevolking.

Misschien moeten wij concluderen dat nog steeds sprake is van een klassensamenleving, maar dan sociale klassen waarbij opleiding een doorslaggevender rol vervult. Dat geldt eens te meer als hoogopgeleiden niet alleen in de politiek maar ook in het bedrijfsleven beslissende posities gaan innemen.

Er heeft zich terecht een intensief debat ontwikkeld over de grote en sinds de Tweede Wereldoorlog toegenomen ongelijkheid in inkomen en vermogen. In dat debat zou meer aandacht gegeven moeten worden aan de rol die opleiding en daaraan verbonden en betrekkelijk nieuwe afkomstkenmerken daarbij vervullen. De samenleving is inderdaad meritocratischer geworden. Maar daarmee is zij ook weer aristocratischer geworden. Natuurlijk een andere aristocratie dan voorheen, maar toch.

Wat te doen?

Valt daar iets aan te doen? Uiteraard, en er wordt zeker in Nederland veel gedaan aan het verbeteren van de omstandigheden en daarmee de vooruitzichten van kinderen van laagopgeleiden. De woningen in volkswijken zijn flink verbeterd. Er zijn speciale vormen van onderwijs om de taalvaardigheid van kinderen te verbeteren.

Het probleem van laaggeletterdheid, in Nederland volgens schattingen van de Algemene Rekenkamer 2,5 miljoen mensen, is eindelijk erkend en wordt aangepakt. Maar ja, het helpt dan niet als, zoals sinds de Lehman crisis van 2008, de inkomens van de lagere inkomensgroepen waaronder de uitkeringsgerechtigden in reële termen zijn gedaald. Het helpt evenmin als de voorraad aan huurwoningen kleiner wordt en bovendien de huren bovenmatig stijgen, en koopwoningen duurder, mede dankzij de zogenoemde liberalisatie van de woningmarkt. Het helpt evenmin als de toegang tot allerlei voorzieningen als de gezondheidszorg meer afhankelijk wordt van de financiële mogelijkheden van de zorggebruikers. Het helpt zeker niet als ook in het onderwijs de deelname afhankelijker wordt van inkomen, en bovendien de voorzieningen afnemen.

Kortom, ondanks maar ook dankzij de enorme verbeteringen in de toegankelijkheid van het onderwijs zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan, en dus ook conflicten. Die komen bovenop verscherpte tegenstellingen en conflicten op gronden als etniciteit, leeftijd, bezit, inkomen, gender, en godsdienst. Wie echt op zoek is naar vijanden en vijandbeelden kan kiezen uit een breed aanbod. Waar draait dit op uit?

Lou Keune

Deze column van Lou Keune verscheen eerder op MarketUpdate.nl.