Powerpoint Guus Geurts

Powerpoint Keimpe van der Heide

Verslag werkgroep Internationale Voedselzekerheid en Landbouw
(Rob Bleijerveld)

Voorzitter Klaas Breunissen (Milieudefensie) opent de workshop: ” Het gaat hier over de vraag hoe we tot een ‘Fair en Green Deal’ komen met betrekking tot de internationale voedselvoorziening en landbouw. Voedselzekerheid – kortweg “Iedereen moet toegang hebben tot gezond eten” – staat centraal.”

Deel 1

Na een kennismakingsrondje van de deelnemers, is er een korte film over boerenstrijd in Guatemala, waarna hij het woord geeft aan twee sprekers die een korte toelichting geven op de problematiek (zie audio- en presentatiebestanden). De derde spreker – Duncan Pruett (Oxfam Novib) – is ziek. Beide sprekers dragen oplossingen aan voor het veiligstellen van voedselzekerheid. Breunissen: “In het tweede deel van de workshop bespreken we hoe we die oplossingen tot stand kunnen brengen.”

Film:

De film is gemaakt door Guus Geurts ( de 2e spreker) en heet “Grito para madre Tierra” (“Schreeuw om moeder Aarde”). Het is een interview met een boerenleider van het CUC in Guatemala. Het CUC strijdt tegen het private grootgrondbezit en tegen het neoliberale exportmodel dat zorgt voor armoede, honger, werkeloosheid onder de indiaanse bevolking en de vernietiging van de leefomgeving. Het CUC ijvert voor landhervorming. (Zie: link).

Reacties op en toelichting bij de film:

* “Een extreem voorbeeld van roofbouw-economie die de voedselvoorziening en de ontwikkeling van die mensen in de weg staat.” Toelichting Guus: “De vruchtbare grond wordt voor productie van exportbananen gebruikt en ander voedsel moet worden ingevoerd. Het CAFTA-verdrag verbiedt bescherming van de maisproductie in Guatemala, terwijl goedkope, gesubsidieerde mais uit de VS hun markt overspoelt. Guatemala heeft lange tijd kolonialisme gekend en – na een korte democratische periode – 36 jaar dictatuur door de bananen-elites waarbij zeer veel mensenrechtenactivisten zijn vermoord.”

* “Als uitgeputte grond waar ook gif is gebruikt – zoals voormalige bananenplantages – een tijdje braak ligt, zou het weer bebouwd kunnen worden door de boeren.” Guus: “Maar de natuurvernietiging en het grootgrondbezit nemen nu zelfs weer toe: er worden veel palmolieplantages aangelegd voor agrobrandstoffen, en er wordt veel bos gekapt voor veehouderij; er is nog geen zicht op een andere landverdeling.”

* “Voorbeelden van land dat is teruggegeven aan boeren zijn er wel, maar dan kan gebrek aan bankleningen en voldoende landbouwkennis vervolgens een probleem zijn en leiden tot doorverkoop aan grootgrondbezitters.” “In Paraguay – waar ook een sterke beweging is om land terug te krijgen – is armoede een groot probleem. Het is dus van belang dat de vicieuze cirkel van de armoede wordt doorbroken.” “De vraag is ook: hoeveel voedsel levert de grond eigenlijk op? Is dat voldoende voor de bevolking? Een vraag die niet zozeer afhangt van wie het in eigendom heeft.” “De stelling dat voedsel regionaal verbouwd moet worden, is nuttig om hier te bespreken.”

* Er volgt een discussie: “Film laat juist zien dat eigendom wel bepaalt wat er geteeld wordt.” “Land is ook nodig om op te wonen, anders zijn de stedelijke slumps het enige alternatief. Daarbij kunnen wisselteelt, agrobiodiversiteit en coöperatieve landbewerking relatief meer productie en voedingswaarde opleveren dan grootschalige gangbare teelt.” “Sicco Mansholt bepleitte juist de groter bedrijfseenheden in plaats van de keuterboertjes.” “Kleinschaligheid, rotatie- en gemengd verbouwen werken productieverhogend per hectare, maar ook minder grond onbenut laten, meer zorg voor de grond, dichter bij het gewas staan spelen een positieve rol. Dit levert meer voedselzekerheid dan grootschalig extensieve teelt. Je hebt alleen te maken met machtsverhoudingen en met waar het geld naar toe gaat.” “In deze workshop moet het niet gaan om wat technisch het beste systeem is, maar de film laat ook zien dat het gaat om zeggenschap, en dat mensen wereldwijd toegang tot voldoende voedsel hebben. Wij in Nederland zijn (in overdrachtelijke zin) erg ver verwijderd van ons voedsel. We weten niet waar het vandaan komt en zien het niet meer als belangrijkste bron van (ons) leven. Dat iedereen op deze aarde op een duurzame manier aan eten kan komen, moet het uitgangspunt zijn. Wat kunnen wij daaraan doen?”

* De voorzitter vat afsluitend samen: “Teruggeven van grond aan boeren is belangrijk, maar ook dat boeren zeggenschap moeten hebben over een eigen stuk grond en hoe ze daarop voedsel produceren. En ‘die landen’ moeten zelf bepalen met welk systeem en op welke schaal de voedselproductie plaatsvindt.” Bezwaar van deelneemster: “Ik denk dat het juist veel kan uitmaken of in bepaald situaties de voedselproductie klein- of grootschalig is, maar zeker ook van belang is of je weet waar je voedsel vandaan komt.” Een ander: “Hoewel we hier wel voldoende voedsel hebben, hebben we in Nederland te maken met een soortgelijk systeem als in Guatemala, uitgaande van 30% van de varkensboeren die beneden het welvaartsniveau leven (grote bankschulden). Het gaat over monoculturen en eigendom.”

Spreker 1: Keimpe van der Heide (Nederlandse Akkerbouw Vakbond, Platform Aarde-Boer-Consument) over de noodzaak van eerlijke prijzen voor boeren en hier en elders in de wereld. Alleen voor een goede prijs kunnen boeren duurzame producten leveren. Voor zijn bijdrage en de reacties en vragen van de deelnemers, zie de audio- en PPT-bestanden.

Spreker 2: Guus Geurts (XminY en Platform ABC) over de gevolgen van het neo-liberale beleid voor de landbouw en over alternatieven. Hij geeft aan dat de ‘vrije markt niet werkt en dat de landbouw uit de WTO moet. Voor de reacties en vragen van de deelnemers, zie audio- en PPT-bestanden.

Deel 2

De voorzitter: “Er zijn in de workshop drie soorten oplossingen genoemd: faire prijzen voor boeren, voedselsouvereiniteit, en zeggenschap over land in het zuiden. De vraag is nu: hoe kunnen we vanuit Nederland en vanuit ons eigen werk of activiteit hieraan bijdragen, met in het achterhoofd de voorgestelde ‘roadmap’?

De eerste bijdrages:

– “Informatie verschaffen via artikelen en websites over hoe het Europese economische beleid (EU2020) en handelsbeleid dat volledig inzet op vergroting van de concurrentiekracht van grote Europese bedrijven en op het overdragen van de regie over de economie aan die bedrijven. Het is belangrijk na te gaan hoe dat beleid wordt gevormd (bijv. via bedrijfslobby; in vrijhandelsakkoorden) en hoe we dat vanuit Nederland kunnen veranderen.”

– “De natuur zou een waarde, prijs moeten krijgen en onderdeel moeten worden van het economische systeem, van het handelssysteem (terwijl je wel blijft zorgen voor een balans). Agrobiodiversiteit levert bijvoorbeeld productiestijging op, zowel in Europa/Nederland als in ontwikkelingslanden. En iedereen wil wel wonen temidden van de natuur, het groen, maar wil daarvoor niet betalen.”

– “Vanuit de IVN/NME’s (Centra voor Natuur- en MilieuEducatie) werken we met vele vrijwilligers aan milieu- en natuureducatie. We zijn bezig om samen met lokale boeren (georganiseerd via Biologica of de agrarische natuurvereniging) een project op te zetten om kinderen mee te nemen naar boerderijen om ze te laten zien waar het voedsel vandaan komt. Dilemma in ons werk: Hoe betrek je mensen die niet of nauwelijks geïnformeerd en geïnteresseerd zijn in discussies over bijvoorbeeld de problematiek van de boeren, het gewenste niveau van keurmerken, of de uitgangspunten van Via Campesina? Hoe krijgen leggen verbindingen tussen groepen en hoe krijgen we voor elkaar dat er werkelijk wat gaat veranderen?”

De voorzitter: “Maar ik wil toch een stap verder en weer terug naar de kernvraag: hoe komen we vanuit ons werk – in dit geval boerderij-educatie – tot de eerder genoemde cruciale oplossingen? En wat kan de rol van onze organisaties zijn – de IVN, of de NAV, de milieuhoek, et cetera – om samen te opereren in bijvoorbeeld een lobby rondom de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?”

– “Ik stel voor dat NGO’s via kennisoverdracht de lokale boeren in het zuiden bewustmaken over de nadelen van het produceren van koffie in tegenstelling tot bijvoorbeeld bananen omdat je je met bananen kunt voeden als ze je ze niet kunt verkopen, maar koffiebonen niet. Het gaat in feite om voedselsoevereiniteit en de boeren hebben in feite een keuzemogelijkheid.

Voorzitter: “Maar toch weer: hoe ga je vanuit het belangrijke werk van educatie en bewustwording de macht veranderen, waar het bijvoorbeeld gaat om WTO of GLB?”

– De markt bepaalt, de bedrijven bepalen. Als soja zo goedkoop te importeren is, zullen wij nooit hier nooit bonen gaan verbouwen. En dat gaat over zo’n grote schaal dat de bijdrage van een NGO altijd klein zal zijn. Bedrijven hebben veel meer budget om veranderingen te realiseren en daar moet je je op richten.”

– Educatie is goed, maar je moet de politiek niet vergeten. Alle besluiten waar we het over hebben gehad, zijn op politiek niveau genomen, en die moet je dus beïnvloeden. Een voorbeeld: bij de presentatie afgelopen week van het Manifest van Roermond over de intensieve veehouderij, werd het woord duurzaamheid wel honderd keer genoemd. Maar de duurzaamheid van de ondernemers en de provinciale bestuurders is heel anders dan de onze. De politiek is erg belangrijk.”

Voorzitter: “Maar hoe verander je die politiek?”

– “Door je mening te geven als “Leef op Safe’, en het zoeken van medestanders en door uit te gaan van kleine stapjes.”

– “Door direkte aktie bijvoorbeeld!”

Voorzitter: “Waar moet de verandering vandaan komen? Van de (“vooruitlopende”) ondernemers, de (“hopeloze”) politiek, de (“ingekapselde”) NGO’s, of van kleine losse groepjes uit de bevolking?

– “Alle mensen, organisaties en bedrijven die met vernieuwing en omdenken naar een heel ander systeem bezig zijn, moeten samen met de politiek bezig gaan. (Een voorbeeld: “Nederland wil nieuwe energie.nl” van bijna alle politiek partijen samen).”

– Guus: “Wij moeten zelf criteria opstellen over duurzaamheid. Daar hoort bij: geen grotere economische voetafdruk, kringlopen sluiten en verminderen fossiele brandstofgebruik. Deze drie doen nergens mee in politieke onderhandelingen! Een potentiële bondgenoot om dat te bereiken is bijvoorbeeld de Z-LTO. Die is aan het draaien door de toenemende burgersteun tegen de varkens-megastallen. In feite moet de Z-LTO haar steun aan de agrobusiness die achter die megastallen zit, opgeven en kiezen voor haar boerenleden. Die boeren moeten de Z-LTO van binnenuit onder druk zetten, want elke megastal betekent het faillisement van 3 boeren en een akkoord dat binnenkort wordt afgesloten met Brazilië zal de hele varkenssector kapot maken. Ook de verwerkende industrie kan een bondgenoot zijn als je je op Europa richt, ook qua werkgelegenheid. De populisten bedrijven vreemdelingenhaat hier, terwijl wij de landbouw in Oost-Europa kapot maken met de strenge Europese hygiëne-regels die de bestaande lokalen voedselvoorziening kapot maakt. Onze retailindustrie neemt daar de markt over en zíj komen hier om te werken. Dat is vergelijkbaar wat er met Guatemala gebeurt. Ook een deel van het Midden- en Kleinbedrijf kan bondgenoot zijn zoals bedrijven die lokaal hennep en vlas produceren voor de textielmarkt.

Het gaat er om de oorzaken van milieuproblematiek, migratie en opraken van grondstoffen naar boven te brengen. De vakbonden moeten het thema van voedselzekerheid opnemen. Uit een onderzoek uit 2006 van het Natuur en Milieu Planburo bleek dat slechts 6% van de bevolking de concurrentie op wereldmarkt wil, en 45% wil een solidaire regio, en 22% wil een mondiale solidariteit (bijvoorbeeld via strengere milieuverdragen). Dus maak je boodschap politiek, stop met die flauwekul dat het allemaal positief moet zijn. Zeg waar het op staat, bijvoorbeeld dat Solidaridad het Wereldnatuurfonds fout bezig zijn met hun steun voor de zogenaamde ‘duurzame soja”

– “Ik twijfel eraan of het konfrontatief aanspreken van Solidaridad en WNF wel de juiste manier is om verandering tot stand te brengen. Het gaat teveel om interne discussie die slechts wordt begrepen door een kleine groep. Uiteindelijk moet je veel mensen en organisaties mee krijgen om de politiek te kunnen veranderen. Je moet ze dus meer als bondgenoot benaderen, de gemeenschappelijke grond zoeken en dan daarop de politiek gaan bespelen.”

– Guus: “Nee, het gaat bij de RTRS om essentiële dingen. Zij geloven erin dat de soja-productie duurzaam is te krijgen, maar als je de problemen van landverdrijving en fosfaatschaarste serieus neemt dan blijkt dat niet te kunnen. Ondertussen gebruikt de politiek de steun van enkele maatschappelijke organisaties om de RTRS te ondersteunen. En zo komt een fundamentele oplossing nooit dichterbij.”

– “Het gaat niet om het zoeken naar bondgenoten, maar om het aanpassen van de marktverhoudingen door hoge heffingen te leggen op bijvoorbeeld de import van goedkope gentech katoen uit India. Dat doe je door de Europese politiek te belobbyen. Er moet bijvoorbeeld een eco-tax op vliegen komen, maar dan wel Europees (tegen ‘free-riding’).”

– “Zie jij bondgenoten onder jongeren- of studentengroepen die mee willen met dit verhaal?” (“Ja, die zijn er”. “Dan moet je daar iets mee doen.”).

– “Volgens mij moeten we ook aansprekende personen, iconen mee zien te krijgen. Het gaat om bewustwording.” (“Ja, voorbeeld is Wijffels is ooit ook van mening veranderd. En ik gooi CDA-ers altijd voor de voeten: Waarom luisteren jullie niet méér naar hem?).

Voorzitter: “Ik ga afronden en samenvatten. Daarna is er nog een snel rondje mogelijk. Er kwamen een aantal punten naar voren. Zo is er veel gezegd over bewustmaking en bewustwording, hier en in het zuiden. De politiek wordt een belangrijke rol toebedeeld. Bondgenoten zitten in boerenorganisaties en het MKB. Bondgenoten zijn ook aansprekende personen. De meningen verschilden over de vraag of en hoe je stelling moet nemen tegen organisaties als het WNF en Solidaridad (foute soja). Nu de laatste ronde.”

– “Ik heb niets gehoord over directe actie en de invloed op de politiek door actiegroepen. Verder een aankondiging van een workshop-dag op 18 februari van het Platform Ander Landbouw. Dat gaat over de hervorming van het Europees Landbouwbeleid, over korte ketens tussen boeren en consumenten, en over duurzame ketens. Informatie via de site van Aarde-Boer-Consument. Allemaal welkom.”

– “Het is een moeilijk onderwerp. Kunnen we ons niet gewoon beperken tot de stelling dat Europese landbouw grondgebonden (dus regionaal) moet zijn? Dat betekent het drastisch indammen van handelsstromen over de wereld (zoals de soja-handel) en het past ook in het voetafdruk-qouteringsverhaal.”

– “Verandering moet toch komen van de markt. De markt doet wat winstgevend is. De markt reguleert zichzelf voor het grootste deel, en je kunt bijsturen met beleid, bijvoorbeeld via de WTO en niet via de VN.”

– “Wij (VersVOKO’s) richten ons op het koopgedrag van mensen. Daarmee kun je niet direct grote politiek veranderingen mee teweegbrengen in landbouwbeleid. Wij spreken de consument aan en lichten hen in over de grote macht die supermarkten hebben om de producentenprijs te bepalen. We verenigen consumenten in coöperatieven die lokaal inkopen bij boeren voor een eerlijke prijs. We moeten zeker ook het beleid aanpassen, maar we kunnen ondertussen ook concreet wat doen aan de inkomens van boeren. Op deze wijze stimuleer je op een directe manier duurzame landbouw, een betere lokale economie door kortere kringen (ketens). Uitbouw kan, maar zal langzaam gaan en hiermee kun je uiteindelijk ook grote veranderingen bereiken.”

– Keimpe: “Ja, dat is iets wat mensen zelf kunnen doen. Een goede manier om verandering in te zetten. De vraag naar duurzame, lokale producten voor een eerlijke prijs, geeft boeren een kans om passend aanbod te leveren. Veranderingen komen over het algemeen niet van de grote grijze meerderheid maar eerder van kleine fanatieke groepjes die heel goed weten waarmee ze bezig zijn. Als het gaat om het veranderen van het huidige politieke beleid: daar is niet veel tijd meer voor. Want over een paar maanden gaan de Europese ambtenaren met het schrijven van een nieuw Landbouwbeleid. En als niet duidelijk is dat de burgers in de EU het anders willen, dan blijft het uitgangspunt concurrentiekracht op de wereldmarkt. Behalve een aantal boerenorganisaties zullen ook maatschappelijke organisaties die iets willen met dat beleid, aan de bel moeten gaan trekken in Den Haag en in Brussel.

– Guus: “Laten we niet het belang van de milieu- en de ontwikkelingsorganisaties vergeten. Het is belangrijk hun steun te krijgen voor voedselsoevereiniteit (wat ze nu zien als een soort scheldwoord). Dan zou een samenwerking met boerenorganisaties echt krachtig zijn in Europa.

Verder is er van 11 maart tot en met 20 mei een lezingencyclus over dit soort onderwerpen. En op 19 maart komt er een boek van mij uit over voedsel en landbouw. O ja, en het XminY Solidariteitsfonds zoekt altijd donateurs. We zijn onafhankelijk en kunnen daarom onbelemmerd spreken.

De voorzitter bedankt en sluit af.